'Aan hun gezichjes te zien zijn ze in geen weken gewassen...'
'Het
is inmiddels donker als mijn pc plots hevig begint te trillen...'
'Islamabad
is de jongste hoofdstad ter wereld...'
'Rijen
zijn er niet want Pakistanen maken er een gewoonte van om
naast elkaar te staan'
'Iedereen
probeert elkaar uit de weg te toeteren...'
'De
zakdoek, waarmee ik steeds over mijn gezicht veeg, begint
al aardig doorweekt te raken...'
'De
stank van het open riool is bijna niet te harden...'
'Weer
buiten worden wij belaagd door geldwisselaars...'
'Dit
leugentje om bestwil breekt ons nu op...'
Een ontmoeting met de Kalasha Brun, 22 augustus 2001 (door M)
Wanneer we op weg van Brun naar Krakal even pauzeren langs de kant van de weg, komt er een klein Kalasha-vrouwtje aangelopen. We groeten met 'Ishpata baba' en ze komt bij ons zitten. Ze heeft prachtige blauwe ogen en een licht getinte huid die duidelijk van de zon te lijden heeft gehad. Wanneer Pok op zijn blauwe ogen wijst en 'Kalasha' uitroept, begint ze hartelijk te lachen en knikt ja.
Verder...
Maandag
16 juli, een rommelige dag Rawalpindi, 17 juli 2001 (door Rob)
In de vroege ochtend van maandag 16 juli wordt ik wakker van
een aantal harde knallen. Het is onze kamerdeur die open en
dichtslaat. Ook M is klaarwakker. De gordijnen voor de balkondeuren
bollen helemaal de kamer in. Van buiten komt een soort licht
dat lijkt op een tl-buis die niet aan wil gaan. Als ik opspring
om de deur in het slot te doen hoor ik pas goed hoe hard het
regent. Het geheel is zo fascinerend dat we samen op het (overdekte)
balkon gaan staan om de chaos op de weg te aanschouwen.Verder...
Bankzaken
in Islamabad Islamabad, 13 juli 2001 (door Rob)
Omdat pinnen met een europas helaas (nog) niet mogelijk is
in Pakistan, ben je als reiziger aangewezen op dollars of
traveller cheques. Contante dollars kun je zowel bij banken
als bij straathandelaren omwisselen. Wie een (relatief) goede
koers wil krijgen bij het inwisselen van USD traveller cheques
komt al snel uit bij een grotere lokale of internationale
bank. Omdat wij in Islamabad een aantal forse kostenposten
hebben (visum voor China en Nepal, aankoop reisgidsen e.d.)
is een bezoek aan de bank dringend noodzakelijk. Verder...
Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Lahore, 10 juli 2001 (door M)
'India wil over Kashmir praten' staat met grote koppen in
de Engelstalige Pakistaanse krant The News. Hoe veel vaker
zullen kranten met soortgelijk nieuws geopend hebben en
liepen de onderhandelingen stuk, vraag ik me af.
We zitten, na ruim 7 weken onderweg te zijn, te genieten
van de koude airconditioning van McDonald's! Hoe heeft
het zover kunnen komen? Verder...
Een
dagje Loralai Loralai, 7 juli 2001 (door M)
Het centrum van Loralai bestaat uit één lange, stoffige
straat. Onverhard, en het heeft al drie jaar niet geregend.
Verder...
Op
weg naar Quetta Quetta, 1 juli 2001 (door Rob)
Grensovergangen hebben altijd iets spannends. Je weet nooit
wat je te wachten staat. Is de grens wel open? Wordt je
rugzak doorzocht? Moet je steekpenningen betalen om het
juiste stempeltje in je paspoort te krijgen? Is het visum
wel in orde? Op het moment dat wij uit Bam vertrekken spelen
wij nog met de gedachte om in het Iraanse grensplaatsje
Mirjavé te overnachten en pas de volgende dag vroeg de grens
over te gaan. Als wij echter horen dat er alleen 's middags
een bus vanaf de Pakistaanse kant van de grens naar Quetta
gaat besluiten wij om vandaag nog door te reizen naar deze
plaats. Verder...
Een ontmoeting met de Kalasha Brun, 22 augustus 2001 (door M)
Wanneer we op weg van Brun naar Krakal even pauzeren langs de kant van de weg, komt er een klein Kalasha-vrouwtje aangelopen. We groeten met 'Ishpata baba' en ze komt bij ons zitten. Ze heeft prachtige blauwe ogen en een licht getinte huid die duidelijk van de zon te lijden heeft gehad. Wanneer Pok op zijn blauwe ogen wijst en 'Kalasha' uitroept, begint ze hartelijk te lachen en knikt ja.
Toch
hebben niet alle Kalasha blauwe ogen. De vrouwen, van piepjong
tot oud, hullen zich in prachtige klederdracht. Die bestaat
uit een zwarte kaftanachtige jurk, die met een oranje of
rode band om hun middel bijeen wordt gesnoerd. Langs de
hals, over de schouders en aan de onderzijde is de jurk
versierd met allerlei gekleurd band en borduursel. Er overheen
dragen ze talloze kralenkettingen. Op hun hoofd dragen de
vrouwen een brede tooi, vol met kleine gekleurde kraaltjes,
met aan de achterkant een lange flap die soms wel tot hun
middel reikt. Op de flap zijn ook schelpen en parelmoerkleurige
knopen bevestigd. Het lange haar dragen ze in vele vlechtjes.
Bij kleine meisjes wordt een deel van het haar weggeschoren,
waardoor ze alleen rond hun gezicht en op hun kruin vlechtjes
hebben. De mannen daarintegen dragen de standaard Pakistaanse
shalwar qamiz. Daardoor zijn zij niet herkenbaar als Kalasha.
De Kalasha wonen in drie naast elkaar gelegen valleien in Noord-West Pakistan en onderscheiden zich ook van andere Pakistani door hun godsdienst. In deze islamitische staat hebben zij hun eigen animist religie.
Via een gammele brug steken we de Bamburetrivier over. Wij vervolgen onze wandeling langs de rivier. Soms lijkt het of er een pad loopt, maar vaker moeten we over grote keien klimmen om onze weg te vinden. Verder stroomafwaarts is een Kalashavrouw aan het werk in het veld. We zwaaien naar elkaar en de vrouw wenkt ons dichterbij te komen. Daar zien we dat onder een boom haar oude moeder met een baby en twee kleine kleutertjes zitten. Aan hun gezichjes te zien zijn ze in geen weken gewassen. We moeten erbij gaan zitten. De Kalashavrouw spoelt abrikozen voor ons af in het water van de rivier. Dan neemt ze de baby over om hem de borst te geven. Een dochter van een jaar of zes plukt wat walnoten en slaat ze kapot met een steen.
Wanneer we verder willen gaan, stuurt ze de zesjarige mee om ons de weg te wijzen.
De volgende dag willen we naar de Rumburvallei voor het Uchau-festival. Van half juni tot eind augustus worden er om de paar weken oogstfeesten gehouden. Tijdens dit laatste feest wordt de druivenoogst gevierd. Samen met een Belgische, een Amerikaanse, een Canadees, drie Japanse dames en twee Pakistani staan we vanaf 08.00 uur te wachten op een jeep. De chauffeur van de jeep die wij voor ons tienen hadden geregeld heeft een beter vrachtje gevonden en is hem al gesmeerd. De Japanse dames kunnen snel met een stel landgenoten mee. Alle andere jeeps die voorbij komen zijn compleet bezet.
Uiteindelijk, na anderhalf uur, stopt er een jeep die ogenschijnlijk vol is. Maar de chauffeur vindt dat wij er nog wel bij kunnen. De jongens springen achter op de laadklep. Met z'n drieën mogen wij voorin zitten. Ik schuif gauw door naar het midden. Naast mij komt Charlotte zitten. Ik krijg ook haar tas op mijn schoot, zodat zij ruimte heeft voor Linda. Die blijft echter het grootste deel van de reis staan. Regelmatig moet ze duiken voor laag overhangende takken. Wanneer ze dan toch bij Charlotte op schoot gaat zitten, kan ik dat goed voelen. Mijn dijbeen wordt bijna de versnellingspook in geperst. Gelukkig wordt in dit bergachtig gebied alleen in de eerste en tweede versnelling gereden.
Bij de politiecontrolepost worden wij afgezet. De jeep gaat verder naar Ayun. Omdat er niet veel hoop is dat er snel een leeg vervoermiddel zal verschijnen, beginnen we te lopen. Vanaf hier duurt de wandeling naar het eerste plaatsje in de Rumburvallei twee uur. De Canadees loopt voorop en dat hij een ervaren trekker is, kan ik aan het tempo goed merken. Gelukkig krijgen we halverwege een lift van een pick-up truck met een lege laadbak. Eerst zitten we allemaal stoer op de rand, maar al gauw laat ik me in de bak zakken, en zit dan plat op de bodem. Ik zie het al gebeuren dat juist ik van die rand afdonder. Zelfs nu nog moet ik mij goed vasthouden. Ik word alle kanten uit geslingerd. Het is goed te voelen dat we ons op een 'jeepable road' bevinden. Zo worden de smalle onverharde paden vol met keien en gaten genoemd. Tegemoetkomend verkeer kan alleen gepasseerd worden op de net iets bredere stukken, waarbij de een zich zo ongeveer in de bergwand boort en de ander net niet de vallei instort.
Vlak voor het dorpje Grom is er een smalle houten brug, naar mijn idee een voetgangersbrug, maar de pick-up kan er blijkbaar toch ook overheen. Een Kalashavrouw komt meteen af op Altaf, een van de Pakistani, en begroet hem hartelijk. We worden allemaal uitgenodigd voor de lunch.
Via een houten deur komen wij in een huisje dat niet anders te beschrijven is als een muf donker hol. De vrouw gebaart ons plaats te nemen op de lage krukjes, die in een halve cirkel staan. In het midden wordt een blad gezet met brood dat er uitziet als pannenkoeken en hüttekäse-achtige kaas. Bij de eerste hap brood gaat de gedachte aan een zeem door mijn hoofd. Zolang ik daar niet aan denk is het best lekker.
Het festival zelf wordt gehouden op een berg waar een soort van dansvloer (onverhard) is gemaakt. Het is er vooral erg stoffig. De overkapping boven de dansvloer zorgt voor wat schaduw. In het midden wordt op twee trommels geroffeld. Steeds meer Kalashavrouwen en -meisjes komen de berg op geklommen, in dezelfde klederdracht als waarin zij in het veld werken. Met als verschil dat zij voor een feest speciaal schone kleren aantrekken. Veel vrouwen hebben nu een extra kralenmatje op hun hoofd. Op een gegeven moment beginnen zij, tussen alle toeschouwers door in groepjes van vier te dansen. Iedereen die op de dansvloer stond blijft gewoon staan. Dit doet heel rommelig aan. Er zijn erg veel toeristen waarvan er een groot aantal tot vervelens toe foto's maken van de Kalasha. Ik schaam me dood voor dit gedrag en laat mijn camera maar in mijn tas. Het dansen zelf is niet erg bijzonder. Elkaar vasthoudend bij de schouders vormen de vrouwen een rij die zijwaarts schuifelt. Ik moet beamen wat een Pakistaan mij eerder toefluisterde: 'na twee minuten heb je het wel gezien'. En eigenlijk geldt dit voor het hele festival. Het dansen stelt niet veel voor. De muziek bestaat alleen uit tromgeroffel. Er is geen speciale drank of voedsel. En de klederdracht is alledaags. Dus waarom komen toeristen er eigenlijk op af? Van de prachtige natuur die de Kalashvalleien te bieden hebben en van de bijzondere mensen kan ook op iedere andere dag genoten worden. En dan genieten de Kalasha zelf meer van hun festival, zonder constant gehinderd te worden door flitslicht.
Maandag
16 juli, een rommelige dag Rawalpindi, 17 juli 2001 (door Rob)
In de vroege ochtend van maandag 16 juli wordt ik wakker
van een aantal harde knallen. Het is onze kamerdeur die
open en dichtslaat. Ook M is klaarwakker. De gordijnen voor
de balkondeuren bollen helemaal de kamer in. Van buiten
komt een soort licht dat lijkt op een tl-buis die niet aan
wil gaan. Als ik opspring om de deur in het slot te doen
hoor ik pas goed hoe hard het regent. Het geheel is zo fascinerend
dat we samen op het (overdekte) balkon gaan staan om de
chaos op de weg
te aanschouwen.
Onweer op deze manier heb ik nog nooit meegemaakt. De regen
komt met bakken tegelijk uit de hemel. De straten zijn niet
bestand tegen deze hoeveelheid water en staan blank.
Tijdens het ontbijt met wentelteefjes (jawel!) en yoghurt
kijken wij naar tv-beelden (CNN en BBC News) van de onderhandelingen
tussen Pakistan en India. Met een
kleurrijke bus gaan wij naar Islamabad voor een bezoek aan
de Chinese ambassade. Aangekomen in Islamabad moeten wij
voor het laatste stukje overstappen op een suzukibusje waarvan
de laadklep is voorzien van twee bankjes en een huif. Ook
dit busje is voorzien van de nodige versieringen. Tien minuten
later worden wij afgezet bij de Chinese ambassade. Bij de
poort staan een aantal mensen te wachten. De Pakistaanse
bewaker klopt op de deur en wenkt ons verder te komen. Als
de poort open gaat mogen alleen wij naar binnen. De visumafdeling
bestaat uit twee loketjes die beide door één persoon worden
bemand. Communicatie verloopt via een microfoon aan Chinese
zijde. Via een box boven de loketjes komt het gebroken Engels
tot ons. Het vooroordeel dat bij menigeen (en ook bij ons)
leeft dat Chinezen niet aardig zijn begint aan kracht te
winnen als een Pakistaan zonder enig pardon wordt weggestuurd
omdat zijn uitnodiging schijnbaar een verkeerde datum toont.
Alvorens wij de aanvraagformulieren krijgen moeten wij eerst
onze paspoorten tonen en vertellen wat het doel is van het
bezoek aan China en welke plaatsen wij willen aandoen. Wij
vermijden zorgvuldig Tibet te noemen als bestemming, want
dan zou het verkrijgen van een visum wel eens lastig kunnen
worden. Na het inleveren van het complete setje (kopie paspoort,
paspoort, pasfoto en aanvraagformulier) krijgen wij een
ontvangstbewijs en mogen we drie dagen later terugkomen
om de paspoorten op te halen.
Omdat Islamabad een goede infrastructuur heeft wat betreft
internet gaan wij op zoek naar een cybercafé. Het ophalen
van de email gaat vlekkeloos, maar net als wij op het punt
staan op de verzendbutton te klikken valt de stroom uit.
Behalve dat het werk van de afgelopen tien minuten in het
niets is verdwenen, wordt het bloedheet in het lokaal omdat
ook de ventilatoren ermee stoppen. Hierna maken wij nog
twee stroomstoringen mee. Het is inmiddels donker als mijn
pc plots hevig begint te trillen. M roept: "hé!", terwijl
ik rondkijk wie er aan de tafel staat te duwen. Een paar
jongens in het lokaal staan snel op van hun stoel en willen
in de richting van de uitgang lopen. Dan keert de rust weer
terug. Ongeveer op datzelfde moment besluiten de premiers
van Pakistan en India om de besprekingen maar af te breken.
Concensus over Kashmir is nog lang niet in zicht, schreeuwen
de koppen van de Engelstalige kranten. In diezelfde kranten
lezen wij in een piepklein bericht dat Islamabad en omgeving
is getroffen door een aardbeving. De beving had een kracht
van 5.3 op de schaal van Richter. Er is geen noemenswaardige
schade aangericht. Iets wat voorlopig nog niet van toepassing
is op Kashmir.
Bankzaken
in Islamabad Islamabad, 13 juli 2001 (door Rob)
Omdat pinnen met een europas helaas (nog) niet mogelijk
is in Pakistan, ben je als reiziger aangewezen op dollars
of traveller cheques. Contante dollars kun je zowel bij
banken als bij straathandelaren omwisselen. Wie een (relatief)
goede koers wil krijgen bij het inwisselen van USD traveller
cheques komt al snel uit bij een grotere lokale of internationale
bank. Omdat wij in Islamabad een aantal forse kostenposten
hebben (visum voor China en Nepal, aankoop reisgidsen
e.d.) is een bezoek aan de bank dringend noodzakelijk.
Islamabad is de jongste hoofdstad ter wereld. Het is in
de jaren vijftig ontworpen en de bouw ervan is pas begonnen
in de jaren zestig. Het geheel is onderverdeeld in sectoren
die ieder z'n eigen winkels, woonhuizen en parken heeft.
Het is zo ruim opgezet dat je niet het idee hebt dat je
in een hoofdstad bent. Het is eigenlijk meer een aaneenschakeling
van buitenwijken met ieder een eigen winkelcentrum.
Backpackers zonder eigen vervoer zijn in deze stad aangewezen
op minibussen. Voor 3 rupees per rit (12 cent) mag je met
nog 17 anderen plaats nemen in een dergelijk busje. Je
kunt je voorstellen dat iedereen knus tegen elkaar aanzit.
En taxi's dan? Tja, die zijn hier een stuk duurder dan
in de rest van Pakistan en dus niet erg bevorderlijk voor
ons budget.
Het bankje tegenover ons hotel doet niet aan traveller
cheques. Bij de volgende bank worden wij doorverwezen
naar weer een andere. Echt veel tijd hebben wij nu niet
meer omdat banken op vrijdag alleen 's ochtends geopend
zijn. Aangekomen bij de National Bank of Pakistan vraagt
een geüniformeerde en bewapende man beleefd wat er in
onze tassen zit. Omdat er geen camera's mee naar binnen
mogen, blijft M met de tassen achter in de hal. Ik wordt
doorverwezen naar de eerste verdieping. Zoals ik al eerder
bij een bank in Quetta heb meegemaakt worden traveller
cheques afgehandeld aan een bureau. Je weet alleen nooit
welk bureau? Er staan er tallozen. Na een paar minuten
vraagt de employé waar ik het dichtste bij sta waarvoor
ik kom. Gelukkig is hij de persoon die mij verder kan
helpen. Hij gebaart mij plaats te nemen naast een andere
cliënt. Deze man is bezig een aantal bundels 100 dollar-biljetten
te tellen. Ervan uitgaande dat elk stapeltje USD 10.000
is, ligt hier open en bloot USD 50.000 voor ons op tafel!
Ik denk nog: "hoe lang zou je hiervan kunnen reizen?".
Terwijl de employé mij vraagt om het aankoopbewijs van
de traveller cheques gaat de man naast mij rustig verder
met tellen. Het ziet er niet naar uit dat hij zich aan
mijn aanwezigheid stoort.
Na het bekijken van de aankoopslip, die ik gelukkig bij
me heb, vraagt hij naar mijn paspoort. Dan word ik verzocht
een stuk of vier handtekeningen te zetten. Als de formulieren
allemaal getekend zijn, word ik doorverwezen naar de kassier
die zich op de begane grond bevindt. Ik heb hier de keuze
uit een aantal loketten. Rijen zijn er niet want Pakistanen
maken er een gewoonte van om naast elkaar te staan. Ook
hier speelt privacy geen rol. Ik blijk eerst met mijn
formulier langs een andere klerk te moeten. Deze schrijft
een nummer op mijn formulier en voorziet mij van een 'token',
een grote koperen munt met een nummer erop. Bij de kassier
aangekomen geef ik het formulier en de munt af. De man
trekt een la open en haalt er een stapel rupees uit. Om
er toch zeker van te zijn dat ik de juiste hoeveelheid
krijg tel ik het, omringd door Pakistanen, na aan de balie.
De laatste hobbel is het opbergen van het pakket rupees
in de moneybelt. Drie kwartier later staan wij weer buiten
en begint de zoektocht naar een boekwinkel waar ze RECENTE
edities van Lonely Planet of vergelijkbare reisgidsen
verkopen. Na lang zoeken slagen wij bij de London Book
Company (Kohsar Market). Om dit te vieren bestellen wij
in het cafeetje op de eerste verdieping van de London
Book Company een ouderwets lekkere tostie.
Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Lahore, 10 juli 2001 (door M)
'India wil over Kashmir praten' staat met grote koppen
in de engelstalige pakistaanse krant The News. Hoe veel
vaker zullen kranten met soortgelijk nieuws geopend
hebben en liepen de onderhandelingen stuk, vraag ik
me af.
We zitten, na ruim 7 weken onderweg te zijn, te genieten
van de koude airconditioning van McDonald's! Hoe heeft
het zover kunnen komen?
Deze ochtend staan we bijtijds op, want we willen het
fort van Lahore en ook de oude stad bezoeken. Helaas
is het fort pas vanaf 08.30 uur geopend. Liever hadden
we er al om 07.00 uur gestaan, in de hoop van een wat
meer aangename temperatuur te kunnen genieten.
Om tien over acht brengt een gemotoriseerde riksja ons
er naar toe. Onderweg zien we dat de stad op gang begint
te komen. Rolluiken van winkeltjes worden met veel kabaal
omhoog geschoven, een stuk of 10 schapen kauwen op wat
grassprietjes langs de rondweg, in de vele kleine theehuisjes
drinken mannen hun thee met melk en wordt er in grote
platte ijzeren potten paratha (= bepaald soort brood)
gefrituurd. Dit alles wordt overstemd door het luid
claxoneren van vrijwel alle gemotoriseerde vervoermiddelen
die zich op de weg bevinden. Iedereen probeert elkaar
uit de weg te toeteren en omdat dat zo veelvuldig gebeurt,
heeft dat vaak geen effect meer. Maar men houdt vol!
Buiten de voor veel lawaai zorgende bussen, minibussen,
auto's, riksja's en brommers komen we ook karren tegen
met ezels of ossen ervoor gespannen.
Via de gigantische houten deuren van de Alamgiri Poort
gaan we het fort binnen. De toegangsprijs is maar liefst
4 rupees
p.p.,dat is omgerekend NLG 0,16! Het verhaal gaat dat
deze poort, gebouwd in 1674, zo groot is, zodat olifanten
met leden van de koninklijke huishouding er door konden.
Binnen de muren van het fort zijn er diverse statige
paleizen, hallen en tuinen, gebouwd onder verschillende
heersers.
Al na een paar minuten lopen voel ik dat ik steeds klammer
word. Ik heb een lange rok aan, gemaakt van t-shirtstof,
die aan mijn benen blijft plakken. Iedere keer opnieuw
moet ik de rok van me aftrekken om een beetje normaal
te kunnen lopen. Je zou niet zeggen dat ik een uur tevoren
nog onder een koele douche heb gestaan.
Bij de Diwan-i-Aam, waar Shah Jahan destijds dagelijks
in het openbaar verscheen, gaan we maar even zitten.
We kijken op de thermometer. Het is nog geen 35 graden.
Door de enorme vochtigheid voelt het veel warmer aan.
Er is geen zuchtje wind. Gelukkig hebben we een grote
fles mineraalwater bij ons, want ook wanneer we stil
zitten gutst het transpiratievocht ons lichaam uit.
Ik voel me een stuk prettiger wanneer ik zie dat ook
de Pakistani het erg warm hebben. Velen hebben zelfs
een handdoekje bij zich om het zweet van hun gezicht
af te vegen.
Omdat het er niet koeler op zal worden, lopen we door
richting het Spiegelpaleis. Helaas staan er hekken voor
de ingang, maar zelfs van deze afstand kunnen we genieten
van de overgebleven pracht en praal. De zakdoek, waarmee
ik steeds over mijn gezicht veeg, begint al aardig doorweekt
te raken. Ik heb mijn haar in een staartje en zelfs
dat is nu vochtig! Gelukkig komen we dan in de wirwar
van gebouwen de cafetaria tegen. Naast een cola voor
Pok en koud water voor mij bestel ik ook een zakje chips,
zogenaamd om mijn zoutgehalte aan te vullen. Over een
gezond ontbijt gesproken......
Na het fort bezoeken we ook de Badshahi moskee, die
er tegenover ligt. Dit is de eerste mooie moskee die
wij zien in Pakistan, gemaakt van rood zandsteen met
3 marmeren koepels. We moeten onze schoenen uitdoen
en afgeven voor we de enorme binnenplaats, die ruimte
biedt aan 60.000 mensen, mogen betreden.
Het bezoeken van de oude stad bewaren wij voor de volgende
ochtend. We
stappen in een riksja met als bestemming Mall Road.
Hier hopen we wat boekwinkels met reisgidsen aan te
treffen. Bij het uitstappen al zie ik een bord met 'McDonald's Bank Square, now open'. Op dit moment is McDonald's
voor mij synoniem aan koude airconditioning en dat is
nu paradijs op aarde. Naarmate we verder Mall Road oplopen
zien we steeds meer borden in de bekende gele en rode
kleuren, met de pijlen de juiste kant op. En gelukkig,
het is ook Pok niet ontgaan, want hij stelt voor: 'zullen
we een kopje thee drinken bij de Mac?'.
Het centrum van Loralai bestaat uit één lange, stoffige
straat. Onverhard, en het heeft al drie jaar niet geregend.
Aan beide zijden van de weg bevinden zich allerlei winkeltjes,
vaak meer van hetzelfde bij elkaar. De slagers zitten
op de houten toonbank met de meest vreemde stukken vlees
bungelend in haken boven zich. Ze hebben het vooral erg
druk met het verjagen van vliegen. Als je nog geen vegetariër
bent, dan word je het nu spontaan wel.
Natuurlijk zijn er ook meerdere kleine kruideniers en
groenteboeren in pijpenlaatjes van winkels. Wij kunnen
ons niet voorstellen dat hele gezinnen kunnen rondkomen
van de magere opbrengsten. De vele eethuisjes zitten vol
met mannen, alleen maar mannen. Ook buiten is geen vrouw
te bekennen.
Midden op straat worden wij aangesproken door de 35-jarige
Mirza die graag zijn Engels wil oefenen. Hij nodigt ons
uit om die avond bij hem thuis te komen eten. Omdat wij
geen misbruik willen maken van de Pakistaanse gastvrijheid,
maar de uitnodiging wel heel leuk vinden, zeggen wij toe
graag thee te komen drinken. Wij spreken af bij ons hotel.
In de hooguit vijf minuten dat dit gesprek geduurd heeft,
hebben zich zeker dertig man om ons heen verzameld. Niet
dat ze er iets van hebben kunnen volgen, maar er gebeurt
zo weinig in Loralai dat twee toeristen een hele happening
zijn.
Dat merken wij ook als wij ergens verderop wat fris drinken.
Tot onze verbazing staan er in een mum van tijd een stuk
of tien kinderen voor de winkel ons aan te gapen. Zo moet
beroemd zijn dus voelen, denk ik bij mezelf. Een beetje
lacherig lopen wij de straat weer op.
Bij een eethuisje waar voor de deur o.a. pakora (balletjes
met groenten) en aardappelschijven gefrituurd worden,
gaan wij naar binnen. De wanden zijn van plafond tot vloer
behangen met posters van Zwitserse landschappen. In het
midden ligt een roodgekleurd Perzisch tapijt met daaromheen
een 40 cm. hoge tafel in u-vorm. Een stuk of 15 mannen
zitten al in kleermakerszit op de grond. Ook wij worden
gemaand achter de tafel, waar plastic ligt, plaats te
nemen. Al snel staan er diverse schaaltjes voor onze neus.
Niet alleen de pakora en biryani (gebakken rijst) die
wij besteld hadden, maar ook diverse kebabs, salade en
lassi, de Pakistaanse yoghurtdrank. Eigenlijk alles dat
hier op het menu staat. Wat wij toch liever niet opeten,
wordt met veel zin door onze buurman geaccepteerd en verorberd.
Als tegenprestatie zorgt hij ervoor dat we thee met melk
geserveerd krijgen.
Wanneer wij willen betalen, wordt ons geld geweigerd onder
het mom "you are a guest of Pakistan"! Het is niet de
eerste keer dat wij dit meemaken en ook hier heeft aandringen
geen effect. Zelfs niet als we aangeven het eten van onze
buurman te willen bekostigen. Opgelaten en opnieuw verbaasd
over deze mate van gastvrijheid gaan wij terug naar het
hotel.
Klokslag vier uur staat Mirza bij de receptie. Lopend
gaan wij op weg. Juist wanneer wij denken het dorp helemaal
uit te zijn en ons afvragen waar hij ons toch mee naartoe
neemt, verschijnt er een woonwijk compleet opgetrokken
uit leem. Ondanks de gonzende hitte rennen er kinderen
door de smalle steegjes. Wij komen langs een hoge vuilnisbelt
waar twee geiten met hun neus door wroeten. De stank van
het open riool is bijna niet te harden. Als wij dan ook
nog over drollen moeten springen, die NIET van honden
afkomstig zijn, ben ik extra blij dat wij de uitnodiging
voor een maaltijd hebben kunnen afslaan.
Bij een ijzeren deur gaat Mirza naar binnen. Op de binnenplaats
staat een bed waarop de heren plaatsnemen. Ik word verzocht
binnen bij Mirza's vrouw te gaan zitten. Ook de buurvrouw
is op bezoek. De dames spreken geen woord Engels. Ik hoor
de mannen buiten gezellig praten, terwijl ik kramp in
mijn kaken krijg van het glimlachen. Uit pure verveling
ga ik na een uur maar foto's maken van Mirza's baby en
de vijf kinderen van de buurvrouw. Meteen een mooie smoes
om naar buiten te gaan en bij de mannen plaats te nemen.
Opnieuw dringt Mirza aan om te blijven eten maar na drie
koppen thee vinden wij het mooi geweest.
Grensovergangen hebben altijd iets spannends. Je weet
nooit wat je te wachten staat. Is de grens wel open? Wordt
je rugzak doorzocht? Moet je steekpenningen betalen om
het juiste stempeltje in je paspoort te krijgen? Is het
visum wel in orde? Op het moment dat wij uit Bam vertrekken
spelen wij nog met de gedachte om in het iraanse grensplaatsje
Mirjavé te overnachten en pas de volgende dag vroeg de
grens over te gaan. Als wij echter horen dat er alleen
's middags een bus vanaf de Pakistaanse kant van de grens
naar Quetta gaat besluiten wij om vandaag nog door te
reizen naar deze plaats.
Aangekomen bij de grens merken wij pas goed hoe warm
het is. De thermometer, die standaard aan mijn dagrugzak
hangt, geeft een temperatuur aan van 48 graden Celsius.
Wij vluchten dan ook snel het grensgebouwtje binnen.
In tegenstelling tot de grensovergang Turkije-Iran is
het hier betrekkelijk rustig. De vrouw die onze paspoorten
voorziet van een 'exit'-stempel is de laatste vrouw die
wij zien in chador. Nog geen vijf minuten daarna verlaten
wij via een smal deurtje het Iraanse grondgebied.
Aan Pakistaanse zijde worden wij een kantoor binnengeloodst
waar drie mannen stevig aan het stempelen zijn. Ik word
verzocht wat gegevens in een schrift te zetten. Dan krijgen
ook wij een stempel in ons paspoort. Weer buiten worden
wij belaagd door geldwisselaars. Ze bieden, zoals te verwachten
is, een extreem slechte koers. Na een paar keer weggelopen
te zijn krijgen wij bij één wisselaar een aanvaardbare
koers.
Een half uur later dan gepland vertrekt de bus
richting Quetta. Tot onze verbazing werkt de airco redelijk.
Bij de eerste controleplaats na de grens komt een autoritair
mannetje de bus in. Vanwege zijn gedrag noemen wij hem
'de kolonel'. Een aantal mannen met een mongools uiterlijk
worden blaffend gevraagd om een identiteitsbewijs. Als
ze dat niet kunnen tonen worden ze hardhandig de bus uitgewerkt.
Ook ik moet mee naar buiten. De mannen worden bijelkaar
gedreven en gevoegd bij een andere groep. Ik moet even
aan Srebrenica denken. In de brandende zon worden zij
gemaand te gaan zitten. Ik sla het allemaal gade vanuit
de schaduw aan de andere kant van het wachthokje totdat
een van de geüniformeerde mannen mij weer terug de bus
in stuurt. Onze paspoorten liggen dan nog op het tafeltje
in het wachthokje. Tien minuten later komt de kolonel
weer de bus in. Zowel de man die naast ons zit als ik
moeten nu de bus uit. De man wordt gevoegd bij de groep
en ik mag het wachthuisje binnen om onze namen in een
schriftje te zetten. Daarna mag ik met onze paspoorten
terug de bus in. Een half uur later zien wij door het
spleetje tussen de gordijnen dat de groep mannen naar
een andere bus wordt gestuurd. Het ziet er niet naar uit
dat deze bus ook bestemming Quetta heeft. Wij houden er
een naar gevoel aan over.
Laat op de avond stopt de bus bij een eetgelegenheid.
Een beetje onwennig lopen wij naar de plaats waar het
eten in grote pannen wordt klaargemaakt. De twee mannen
die voor ons in de bus zitten, gebaren dat wij bij hen
moeten komen zitten. Ze spreken allebei voldoende Engels
om een redelijke conversatie op gang te houden. Wij maken
van de gelegenheid gebruik om hen uit te horen over de
gebeurtenissen bij de grens. De mannen die uit de bus
zijn gehaald zijn volgens hen Afghanen die zonder papieren
de grens probeerden over te komen. Wij krijgen niet de
indruk dat ze er erg van onder de indruk zijn. De twee,
Hayat (33 jaar) en Naveed (35 jaar), zijn compagnons.
Hayat, woonachtig in Quetta, is exporteur van rijst en
Naveed, die in Peshawar woont, is inkoper.
Terug in de bus maakt iedereen zich op voor de nacht,
behalve Hayat en Naveed. Tot diep in de nacht stellen
ze ons de meest uiteenlopende vragen. Op de vraag of wij
getrouwd zijn antwoorden wij voor het gemak dat we dat
sinds een jaar zijn. Dit leugentje om bestwil breekt ons
nu op want de heren wensen graag een trouwfoto van ons
te ontvangen. Ze gaan zelfs nog verder en verlangen over
een jaar een foto van onze baby, want Pakistan is een
vruchtbaar land. Langzamerhand wordt het gesprek serieuzer.
Naveed vraagt mij of ik niet agent voor hun wil worden
in Nederland. Hij wil boter, kaas en andere zaken importeren
vanuit Nederland. Ik praat er maar een beetje omheen.
Aangekomen in Quetta nemen wij afscheid van Hayat en Naveed
en checken in bij het Bloom Star hotel. Diezelfde middag
gaat de telefoon. Het is Hayat die vraagt of hij even
langs kan komen. Een half uur later zit ik met Hayat en
Naveed in de tuin van het hotel aan de thee. Het is geen
bezoek maar een 'meeting', zo blijkt achteraf. Ze komen
nog even terug op hun bod om samen zaken te doen. Ik zeg
hen uit beleefdheid toe dit aanbod in beraad te nemen.
Dan wisselen wij emailadressen uit en nemen afscheid.
Voorlopig eerst nog maar wat reizen. Wat daarna komt....dat
zien we dan wel weer!