Pashtoman

 

klik hier om menu te activeren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

'Aan hun gezichjes te zien zijn ze in geen weken gewassen...'

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

'Het is inmiddels donker als mijn pc plots hevig begint te trillen...'

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

'Islamabad is de jongste hoofdstad ter wereld...'

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

'Rijen zijn er niet want Pakistanen maken er een gewoonte van om naast elkaar te staan'

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

'Iedereen probeert elkaar uit de weg te toeteren...'

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

'De zakdoek, waarmee ik steeds over mijn gezicht veeg, begint al aardig doorweekt te raken...'

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

'De stank van het open riool is bijna niet te harden...'

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

'Weer buiten worden wij belaagd door geldwisselaars...'

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

'Dit leugentje om bestwil breekt ons nu op...'

 

 

Een ontmoeting met de Kalasha
Brun, 22 augustus 2001 (door M)

Wanneer we op weg van Brun naar Krakal even pauzeren langs de kant van de weg, komt er een klein Kalasha-vrouwtje aangelopen. We groeten met 'Ishpata baba' en ze komt bij ons zitten. Ze heeft prachtige blauwe ogen en een licht getinte huid die duidelijk van de zon te lijden heeft gehad. Wanneer Pok op zijn blauwe ogen wijst en 'Kalasha' uitroept, begint ze hartelijk te lachen en knikt ja. Verder...

Maandag 16 juli, een rommelige dag
Rawalpindi, 17 juli 2001 (door Rob)

In de vroege ochtend van maandag 16 juli wordt ik wakker van een aantal harde knallen. Het is onze kamerdeur die open en dichtslaat. Ook M is klaarwakker. De gordijnen voor de balkondeuren bollen helemaal de kamer in. Van buiten komt een soort licht dat lijkt op een tl-buis die niet aan wil gaan. Als ik opspring om de deur in het slot te doen hoor ik pas goed hoe hard het regent. Het geheel is zo fascinerend dat we samen op het (overdekte) balkon gaan staan om de chaos op de weg te aanschouwen. Verder...

Bankzaken in Islamabad
Islamabad, 13 juli 2001 (door Rob)

Omdat pinnen met een europas helaas (nog) niet mogelijk is in Pakistan, ben je als reiziger aangewezen op dollars of traveller cheques. Contante dollars kun je zowel bij banken als bij straathandelaren omwisselen. Wie een (relatief) goede koers wil krijgen bij het inwisselen van USD traveller cheques komt al snel uit bij een grotere lokale of internationale bank. Omdat wij in Islamabad een aantal forse kostenposten hebben (visum voor China en Nepal, aankoop reisgidsen e.d.) is een bezoek aan de bank dringend noodzakelijk. Verder...

Hoe heeft het zo ver kunnen komen?
Lahore, 10 juli 2001 (door M)

'India wil over Kashmir praten' staat met grote koppen in de Engelstalige Pakistaanse krant The News. Hoe veel vaker zullen kranten met soortgelijk nieuws geopend hebben en liepen de onderhandelingen stuk, vraag ik me af.
We zitten, na ruim 7 weken onderweg te zijn, te genieten van de koude airconditioning van McDonald's! Hoe heeft het zover kunnen komen? Verder...

Een dagje Loralai
Loralai, 7 juli 2001 (door M)

Het centrum van Loralai bestaat uit één lange, stoffige straat. Onverhard, en het heeft al drie jaar niet geregend. Verder...


Op weg naar Quetta
Quetta, 1 juli 2001 (door Rob)

Grensovergangen hebben altijd iets spannends. Je weet nooit wat je te wachten staat. Is de grens wel open? Wordt je rugzak doorzocht? Moet je steekpenningen betalen om het juiste stempeltje in je paspoort te krijgen? Is het visum wel in orde? Op het moment dat wij uit Bam vertrekken spelen wij nog met de gedachte om in het Iraanse grensplaatsje Mirjavé te overnachten en pas de volgende dag vroeg de grens over te gaan. Als wij echter horen dat er alleen 's middags een bus vanaf de Pakistaanse kant van de grens naar Quetta gaat besluiten wij om vandaag nog door te reizen naar deze plaats. Verder...

Badshahi moskee, Lahore

Een ontmoeting met de Kalasha
Brun, 22 augustus 2001 (door M)

Wanneer we op weg van Brun naar Krakal even pauzeren langs de kant van de weg, komt er een klein Kalasha-vrouwtje aangelopen. We groeten met 'Ishpata baba' en ze komt bij ons zitten. Ze heeft prachtige blauwe ogen en een licht getinte huid die duidelijk van de zon te lijden heeft gehad. Wanneer Pok op zijn blauwe ogen wijst en 'Kalasha' uitroept, begint ze hartelijk te lachen en knikt ja.

KalashavrouwToch hebben niet alle Kalasha blauwe ogen. De vrouwen, van piepjong tot oud, hullen zich in prachtige klederdracht. Die bestaat uit een zwarte kaftanachtige jurk, die met een oranje of rode band om hun middel bijeen wordt gesnoerd. Langs de hals, over de schouders en aan de onderzijde is de jurk versierd met allerlei gekleurd band en borduursel. Er overheen dragen ze talloze kralenkettingen. Op hun hoofd dragen de vrouwen een brede tooi, vol met kleine gekleurde kraaltjes, met aan de achterkant een lange flap die soms wel tot hun middel reikt. Op de flap zijn ook schelpen en parelmoerkleurige knopen bevestigd. Het lange haar dragen ze in vele vlechtjes. Bij kleine meisjes wordt een deel van het haar weggeschoren, waardoor ze alleen rond hun gezicht en op hun kruin vlechtjes hebben. De mannen daarintegen dragen de standaard Pakistaanse shalwar qamiz. Daardoor zijn zij niet herkenbaar als Kalasha.
De Kalasha wonen in drie naast elkaar gelegen valleien in Noord-West Pakistan en onderscheiden zich ook van andere Pakistani door hun godsdienst. In deze islamitische staat hebben zij hun eigen animist religie.

Via een gammele brug steken we de Bamburetrivier over. Wij vervolgen onze wandeling langs de rivier. Soms lijkt het of er een pad loopt, maar vaker moeten we over grote keien klimmen om onze weg te vinden. Verder stroomafwaarts is een Kalashavrouw aan het werk in het veld. We zwaaien naar elkaar en de vrouw wenkt ons dichterbij te komen. Daar zien we dat onder een boom haar oude moeder met een baby en twee kleine kleutertjes zitten. Aan hun gezichjes te zien zijn ze in geen weken gewassen. We moeten erbij gaan zitten. De Kalashavrouw spoelt abrikozen voor ons af in het water van de rivier. Dan neemt ze de baby over om hem de borst te geven. Een dochter van een jaar of zes plukt wat walnoten en slaat ze kapot met een steen.
Wanneer we verder willen gaan, stuurt ze de zesjarige mee om ons de weg te wijzen.

De volgende dag willen we naar de Rumburvallei voor het Uchau-festival. Van half juni tot eind augustus worden er om de paar weken oogstfeesten gehouden. Tijdens dit laatste feest wordt de druivenoogst gevierd. Samen met een Belgische, een Amerikaanse, een Canadees, drie Japanse dames en twee Pakistani staan we vanaf 08.00 uur te wachten op een jeep. De chauffeur van de jeep die wij voor ons tienen hadden geregeld heeft een beter vrachtje gevonden en is hem al gesmeerd. De Japanse dames kunnen snel met een stel landgenoten mee. Alle andere jeeps die voorbij komen zijn compleet bezet.
Uiteindelijk, na anderhalf uur, stopt er een jeep die ogenschijnlijk vol is. Maar de chauffeur vindt dat wij er nog wel bij kunnen. De jongens springen achter op de laadklep. Met z'n drieën mogen wij voorin zitten. Ik schuif gauw door naar het midden. Naast mij komt Charlotte zitten. Ik krijg ook haar tas op mijn schoot, zodat zij ruimte heeft voor Linda. Die blijft echter het grootste deel van de reis staan. Regelmatig moet ze duiken voor laag overhangende takken. Wanneer ze dan toch bij Charlotte op schoot gaat zitten, kan ik dat goed voelen. Mijn dijbeen wordt bijna de versnellingspook in geperst. Gelukkig wordt in dit bergachtig gebied alleen in de eerste en tweede versnelling gereden.

Bij de politiecontrolepost worden wij afgezet. De jeep gaat verder naar Ayun. Omdat er niet veel hoop is dat er snel een leeg vervoermiddel zal verschijnen, beginnen we te lopen. Vanaf hier duurt de wandeling naar het eerste plaatsje in de Rumburvallei twee uur. De Canadees loopt voorop en dat hij een ervaren trekker is, kan ik aan het tempo goed merken. Gelukkig krijgen we halverwege een lift van een pick-up truck met een lege laadbak. Eerst zitten we allemaal stoer op de rand, maar al gauw laat ik me in de bak zakken, en zit dan plat op de bodem. Ik zie het al gebeuren dat juist ik van die rand afdonder. Zelfs nu nog moet ik mij goed vasthouden. Ik word alle kanten uit geslingerd. Het is goed te voelen dat we ons op een 'jeepable road' bevinden. Zo worden de smalle onverharde paden vol met keien en gaten genoemd. Tegemoetkomend verkeer kan alleen gepasseerd worden op de net iets bredere stukken, waarbij de een zich zo ongeveer in de bergwand boort en de ander net niet de vallei instort.
Vlak voor het dorpje Grom is er een smalle houten brug, naar mijn idee een voetgangersbrug, maar de pick-up kan er blijkbaar toch ook overheen. Een Kalashavrouw komt meteen af op Altaf, een van de Pakistani, en begroet hem hartelijk. We worden allemaal uitgenodigd voor de lunch.
Via een houten deur komen wij in een huisje dat niet anders te beschrijven is als een muf donker hol. De vrouw gebaart ons plaats te nemen op de lage krukjes, die in een halve cirkel staan. In het midden wordt een blad gezet met brood dat er uitziet als pannenkoeken en hüttekäse-achtige kaas. Bij de eerste hap brood gaat de gedachte aan een zeem door mijn hoofd. Zolang ik daar niet aan denk is het best lekker.

Het festival zelf wordt gehouden op een berg waar een soort van dansvloer (onverhard) is gemaakt. Het is er vooral erg stoffig. De overkapping boven de dansvloer zorgt voor wat schaduw. In het midden wordt op twee trommels geroffeld. Steeds meer Kalashavrouwen en -meisjes komen de berg op geklommen, in dezelfde klederdracht als waarin zij in het veld werken. Met als verschil dat zij voor een feest speciaal schone kleren aantrekken. Veel vrouwen hebben nu een extra kralenmatje op hun hoofd. Op een gegeven moment beginnen zij, tussen alle toeschouwers door in groepjes van vier te dansen. Iedereen die op de dansvloer stond blijft gewoon staan. Dit doet heel rommelig aan. Er zijn erg veel toeristen waarvan er een groot aantal tot vervelens toe foto's maken van de Kalasha. Ik schaam me dood voor dit gedrag en laat mijn camera maar in mijn tas.
Het dansen zelf is niet erg bijzonder. Elkaar vasthoudend bij de schouders vormen de vrouwen een rij die zijwaarts schuifelt. Ik moet beamen wat een Pakistaan mij eerder toefluisterde: 'na twee minuten heb je het wel gezien'. En eigenlijk geldt dit voor het hele festival. Het dansen stelt niet veel voor. De muziek bestaat alleen uit tromgeroffel. Er is geen speciale drank of voedsel. En de klederdracht is alledaags. Dus waarom komen toeristen er eigenlijk op af? Van de prachtige natuur die de Kalashvalleien te bieden hebben en van de bijzondere mensen kan ook op iedere andere dag genoten worden. En dan genieten de Kalasha zelf meer van hun festival, zonder constant gehinderd te worden door flitslicht.

Terug naar boven

Maandag 16 juli, een rommelige dag
Rawalpindi, 17 juli 2001 (door Rob)

In de vroege ochtend van maandag 16 juli wordt ik wakker van een aantal harde knallen. Het is onze kamerdeur die open en dichtslaat. Ook M is klaarwakker. De gordijnen voor de balkondeuren bollen helemaal de kamer in. Van buiten komt een soort licht dat lijkt op een tl-buis die niet aan wil gaan. Als ik opspring om de deur in het slot te doen hoor ik pas goed hoe hard het regent. Het geheel is zo fascinerend dat we samen op het (overdekte) balkon gaan staan om de chaos op de weg te aanschouwen.

Onweer op deze manier heb ik nog nooit meegemaakt. De regen komt met bakken tegelijk uit de hemel. De straten zijn niet bestand tegen deze hoeveelheid water en staan blank.

Tijdens het ontbijt met wentelteefjes (jawel!) en yoghurt kijken wij naar tv-beelden (CNN en BBC News) van de onderhandelingen tussen Pakistan en India. Met Traditioneel versierde buseen kleurrijke bus gaan wij naar Islamabad voor een bezoek aan de Chinese ambassade. Aangekomen in Islamabad moeten wij voor het laatste stukje overstappen op een suzukibusje waarvan de laadklep is voorzien van twee bankjes en een huif. Ook dit busje is voorzien van de nodige versieringen. Tien minuten later worden wij afgezet bij de Chinese ambassade. Bij de poort staan een aantal mensen te wachten. De Pakistaanse bewaker klopt op de deur en wenkt ons verder te komen. Als de poort open gaat mogen alleen wij naar binnen. De visumafdeling bestaat uit twee loketjes die beide door één persoon worden bemand. Communicatie verloopt via een microfoon aan Chinese zijde. Via een box boven de loketjes komt het gebroken Engels tot ons. Het vooroordeel dat bij menigeen (en ook bij ons) leeft dat Chinezen niet aardig zijn begint aan kracht te winnen als een Pakistaan zonder enig pardon wordt weggestuurd omdat zijn uitnodiging schijnbaar een verkeerde datum toont.
Alvorens wij de aanvraagformulieren krijgen moeten wij eerst onze paspoorten tonen en vertellen wat het doel is van het bezoek aan China en welke plaatsen wij willen aandoen. Wij vermijden zorgvuldig Tibet te noemen als bestemming, want dan zou het verkrijgen van een visum wel eens lastig kunnen worden. Na het inleveren van het complete setje (kopie paspoort, paspoort, pasfoto en aanvraagformulier) krijgen wij een ontvangstbewijs en mogen we drie dagen later terugkomen om de paspoorten op te halen.

Omdat Islamabad een goede infrastructuur heeft wat betreft internet gaan wij op zoek naar een cybercafé. Het ophalen van de email gaat vlekkeloos, maar net als wij op het punt staan op de verzendbutton te klikken valt de stroom uit. Behalve dat het werk van de afgelopen tien minuten in het niets is verdwenen, wordt het bloedheet in het lokaal omdat ook de ventilatoren ermee stoppen. Hierna maken wij nog twee stroomstoringen mee. Het is inmiddels donker als mijn pc plots hevig begint te trillen. M roept: "hé!", terwijl ik rondkijk wie er aan de tafel staat te duwen. Een paar jongens in het lokaal staan snel op van hun stoel en willen in de richting van de uitgang lopen. Dan keert de rust weer terug. Ongeveer op datzelfde moment besluiten de premiers van Pakistan en India om de besprekingen maar af te breken. Concensus over Kashmir is nog lang niet in zicht, schreeuwen de koppen van de Engelstalige kranten. In diezelfde kranten lezen wij in een piepklein bericht dat Islamabad en omgeving is getroffen door een aardbeving. De beving had een kracht van 5.3 op de schaal van Richter. Er is geen noemenswaardige schade aangericht. Iets wat voorlopig nog niet van toepassing is op Kashmir.

Terug naar boven


Bankzaken in Islamabad
Islamabad, 13 juli 2001 (door Rob)

Omdat pinnen met een europas helaas (nog) niet mogelijk is in Pakistan, ben je als reiziger aangewezen op dollars of traveller cheques. Contante dollars kun je zowel bij banken als bij straathandelaren omwisselen. Wie een (relatief) goede koers wil krijgen bij het inwisselen van USD traveller cheques komt al snel uit bij een grotere lokale of internationale bank. Omdat wij in Islamabad een aantal forse kostenposten hebben (visum voor China en Nepal, aankoop reisgidsen e.d.) is een bezoek aan de bank dringend noodzakelijk.

Islamabad is de jongste hoofdstad ter wereld. Het is in de jaren vijftig ontworpen en de bouw ervan is pas begonnen in de jaren zestig. Het geheel is onderverdeeld in sectoren die ieder z'n eigen winkels, woonhuizen en parken heeft. Het is zo ruim opgezet dat je niet het idee hebt dat je in een hoofdstad bent. Het is eigenlijk meer een aaneenschakeling van buitenwijken met ieder een eigen winkelcentrum.

Backpackers zonder eigen vervoer zijn in deze stad aangewezen op minibussen. Voor 3 rupees per rit (12 cent) mag je met nog 17 anderen plaats nemen in een dergelijk busje. Je kunt je voorstellen dat iedereen knus tegen elkaar aanzit. En taxi's dan? Tja, die zijn hier een stuk duurder dan in de rest van Pakistan en dus niet erg bevorderlijk voor ons budget.

Het bankje tegenover ons hotel doet niet aan traveller cheques. Bij de volgende bank worden wij doorverwezen naar weer een andere. Echt veel tijd hebben wij nu niet meer omdat banken op vrijdag alleen 's ochtends geopend zijn. Aangekomen bij de National Bank of Pakistan vraagt een geüniformeerde en bewapende man beleefd wat er in onze tassen zit. Omdat er geen camera's mee naar binnen mogen, blijft M met de tassen achter in de hal. Ik wordt doorverwezen naar de eerste verdieping. Zoals ik al eerder bij een bank in Quetta heb meegemaakt worden traveller cheques afgehandeld aan een bureau. Je weet alleen nooit welk bureau? Er staan er tallozen. Na een paar minuten vraagt de employé waar ik het dichtste bij sta waarvoor ik kom. Gelukkig is hij de persoon die mij verder kan helpen. Hij gebaart mij plaats te nemen naast een andere cliënt. Deze man is bezig een aantal bundels 100 dollar-biljetten te tellen. Ervan uitgaande dat elk stapeltje USD 10.000 is, ligt hier open en bloot USD 50.000 voor ons op tafel! Ik denk nog: "hoe lang zou je hiervan kunnen reizen?". Terwijl de employé mij vraagt om het aankoopbewijs van de traveller cheques gaat de man naast mij rustig verder met tellen. Het ziet er niet naar uit dat hij zich aan mijn aanwezigheid stoort.
Na het bekijken van de aankoopslip, die ik gelukkig bij me heb, vraagt hij naar mijn paspoort. Dan word ik verzocht een stuk of vier handtekeningen te zetten. Als de formulieren allemaal getekend zijn, word ik doorverwezen naar de kassier die zich op de begane grond bevindt. Ik heb hier de keuze uit een aantal loketten. Rijen zijn er niet want Pakistanen maken er een gewoonte van om naast elkaar te staan. Ook hier speelt privacy geen rol. Ik blijk eerst met mijn formulier langs een andere klerk te moeten. Deze schrijft een nummer op mijn formulier en voorziet mij van een 'token', een grote koperen munt met een nummer erop. Bij de kassier aangekomen geef ik het formulier en de munt af. De man trekt een la open en haalt er een stapel rupees uit. Om er toch zeker van te zijn dat ik de juiste hoeveelheid krijg tel ik het, omringd door Pakistanen, na aan de balie. De laatste hobbel is het opbergen van het pakket rupees in de moneybelt. Drie kwartier later staan wij weer buiten en begint de zoektocht naar een boekwinkel waar ze RECENTE edities van Lonely Planet of vergelijkbare reisgidsen verkopen. Na lang zoeken slagen wij bij de London Book Company (Kohsar Market). Om dit te vieren bestellen wij in het cafeetje op de eerste verdieping van de London Book Company een ouderwets lekkere tostie.

Terug naar boven

 

Hoe heeft het zo ver kunnen komen?
Lahore, 10 juli 2001 (door M)

'India wil over Kashmir praten' staat met grote koppen in de engelstalige pakistaanse krant The News. Hoe veel vaker zullen kranten met soortgelijk nieuws geopend hebben en liepen de onderhandelingen stuk, vraag ik me af.
We zitten, na ruim 7 weken onderweg te zijn, te genieten van de koude airconditioning van McDonald's! Hoe heeft het zover kunnen komen?

Deze ochtend staan we bijtijds op, want we willen het fort van Lahore en ook de oude stad bezoeken. Helaas is het fort pas vanaf 08.30 uur geopend. Liever hadden we er al om 07.00 uur gestaan, in de hoop van een wat meer aangename temperatuur te kunnen genieten.
Om tien over acht brengt een gemotoriseerde riksja ons er naar toe. Onderweg zien we dat de stad op gang begint te komen. Rolluiken van winkeltjes worden met veel kabaal omhoog geschoven, een stuk of 10 schapen kauwen op wat grassprietjes langs de rondweg, in de vele kleine theehuisjes drinken mannen hun thee met melk en wordt er in grote platte ijzeren potten paratha (= bepaald soort brood) gefrituurd. Dit alles wordt overstemd door het luid claxoneren van vrijwel alle gemotoriseerde vervoermiddelen die zich op de weg bevinden. Iedereen probeert elkaar uit de weg te toeteren en omdat dat zo veelvuldig gebeurt, heeft dat vaak geen effect meer. Maar men houdt vol! Buiten de voor veel lawaai zorgende bussen, minibussen, auto's, riksja's en brommers komen we ook karren tegen met ezels of ossen ervoor gespannen.

Via de gigantische houten deuren van de Alamgiri Poort gaan we het fort binnen. De toegangsprijs is maar liefst 4 Ingang Badshahi moskee, Lahorerupees p.p.,dat is omgerekend NLG 0,16! Het verhaal gaat dat deze poort, gebouwd in 1674, zo groot is, zodat olifanten met leden van de koninklijke huishouding er door konden. Binnen de muren van het fort zijn er diverse statige paleizen, hallen en tuinen, gebouwd onder verschillende heersers.
Al na een paar minuten lopen voel ik dat ik steeds klammer word. Ik heb een lange rok aan, gemaakt van t-shirtstof, die aan mijn benen blijft plakken. Iedere keer opnieuw moet ik de rok van me aftrekken om een beetje normaal te kunnen lopen. Je zou niet zeggen dat ik een uur tevoren nog onder een koele douche heb gestaan.
Bij de Diwan-i-Aam, waar Shah Jahan destijds dagelijks in het openbaar verscheen, gaan we maar even zitten. We kijken op de thermometer. Het is nog geen 35 graden. Door de enorme vochtigheid voelt het veel warmer aan. Er is geen zuchtje wind. Gelukkig hebben we een grote fles mineraalwater bij ons, want ook wanneer we stil zitten gutst het transpiratievocht ons lichaam uit. Ik voel me een stuk prettiger wanneer ik zie dat ook de Pakistani het erg warm hebben. Velen hebben zelfs een handdoekje bij zich om het zweet van hun gezicht af te vegen.
Omdat het er niet koeler op zal worden, lopen we door richting het Spiegelpaleis. Helaas staan er hekken voor de ingang, maar zelfs van deze afstand kunnen we genieten van de overgebleven pracht en praal. De zakdoek, waarmee ik steeds over mijn gezicht veeg, begint al aardig doorweekt te raken. Ik heb mijn haar in een staartje en zelfs dat is nu vochtig! Gelukkig komen we dan in de wirwar van gebouwen de cafetaria tegen. Naast een cola voor Pok en koud water voor mij bestel ik ook een zakje chips, zogenaamd om mijn zoutgehalte aan te vullen. Over een gezond ontbijt gesproken......
Na het fort bezoeken we ook de Badshahi moskee, die er tegenover ligt. Dit is de eerste mooie moskee die wij zien in Pakistan, gemaakt van rood zandsteen met 3 marmeren koepels. We moeten onze schoenen uitdoen en afgeven voor we de enorme binnenplaats, die ruimte biedt aan 60.000 mensen, mogen betreden.

Het bezoeken van de oude stad bewaren wij voor de volgende ochtend. McDonalds, LahoreWe stappen in een riksja met als bestemming Mall Road. Hier hopen we wat boekwinkels met reisgidsen aan te treffen. Bij het uitstappen al zie ik een bord met 'McDonald's Bank Square, now open'. Op dit moment is McDonald's voor mij synoniem aan koude airconditioning en dat is nu paradijs op aarde. Naarmate we verder Mall Road oplopen zien we steeds meer borden in de bekende gele en rode kleuren, met de pijlen de juiste kant op. En gelukkig, het is ook Pok niet ontgaan, want hij stelt voor: 'zullen we een kopje thee drinken bij de Mac?'.

Terug naar boven

Een dagje Loralai
Loralai, 7 juli 2001 (door M)

Het centrum van Loralai bestaat uit één lange, stoffige straat. Onverhard, en het heeft al drie jaar niet geregend.

Aan beide zijden van de weg bevinden zich allerlei winkeltjes, vaak meer van hetzelfde bij elkaar. De slagers zitten op de houten toonbank met de meest vreemde stukken vlees bungelend in haken boven zich. Ze hebben het vooral erg druk met het verjagen van vliegen. Als je nog geen vegetariër bent, dan word je het nu spontaan wel. kruidenier

Natuurlijk zijn er ook meerdere kleine kruideniers en groenteboeren in pijpenlaatjes van winkels. Wij kunnen ons niet voorstellen dat hele gezinnen kunnen rondkomen van de magere opbrengsten. De vele eethuisjes zitten vol met mannen, alleen maar mannen. Ook buiten is geen vrouw te bekennen.

Midden op straat worden wij aangesproken door de 35-jarige Mirza die graag zijn Engels wil oefenen. Hij nodigt ons uit om die avond bij hem thuis te komen eten. Omdat wij geen misbruik willen maken van de Pakistaanse gastvrijheid, maar de uitnodiging wel heel leuk vinden, zeggen wij toe graag thee te komen drinken. Wij spreken af bij ons hotel. In de hooguit vijf minuten dat dit gesprek geduurd heeft, hebben zich zeker dertig man om ons heen verzameld. Niet dat ze er iets van hebben kunnen volgen, maar er gebeurt zo weinig in Loralai dat twee toeristen een hele happening zijn.
Dat merken wij ook als wij ergens verderop wat fris drinken. Tot onze verbazing staan er in een mum van tijd een stuk of tien kinderen voor de winkel ons aan te gapen. Zo moet beroemd zijn dus voelen, denk ik bij mezelf. Een beetje lacherig lopen wij de straat weer op.

Bij een eethuisje waar voor de deur o.a. pakora (balletjes met groenten) en aardappelschijven gefrituurd worden, gaan wij naar binnen. De wanden zijn van plafond tot vloer behangen met posters van Zwitserse landschappen. In het midden ligt een roodgekleurd Perzisch tapijt met daaromheen een 40 cm. hoge tafel in u-vorm. Een stuk of 15 mannen zitten al in kleermakerszit op de grond. Ook wij worden gemaand achter de tafel, waar plastic ligt, plaats te nemen. Al snel staan er diverse schaaltjes voor onze neus. Niet alleen de pakora en biryani (gebakken rijst) die wij besteld hadden, maar ook diverse kebabs, salade en lassi, de Pakistaanse yoghurtdrank. Eigenlijk alles dat hier op het menu staat. Wat wij toch liever niet opeten, wordt met veel zin door onze buurman geaccepteerd en verorberd. Als tegenprestatie zorgt hij ervoor dat we thee met melk geserveerd krijgen.
Wanneer wij willen betalen, wordt ons geld geweigerd onder het mom "you are a guest of Pakistan"! Het is niet de eerste keer dat wij dit meemaken en ook hier heeft aandringen geen effect. Zelfs niet als we aangeven het eten van onze buurman te willen bekostigen. Opgelaten en opnieuw verbaasd over deze mate van gastvrijheid gaan wij terug naar het hotel.

Klokslag vier uur staat Mirza bij de receptie. Lopend gaan wij op weg. Juist wanneer wij denken het dorp helemaal uit te zijn en ons afvragen waar hij ons toch mee naartoe neemt, verschijnt er een woonwijk compleet opgetrokken uit leem. Ondanks de gonzende hitte rennen er kinderen door de smalle steegjes. Wij komen langs een hoge vuilnisbelt waar twee geiten met hun neus door wroeten. De stank van het open riool is bijna niet te harden. Als wij dan ook nog over drollen moeten springen, die NIET van honden afkomstig zijn, ben ik extra blij dat wij de uitnodiging voor een maaltijd hebben kunnen afslaan.
Bij een ijzeren deur gaat Mirza naar binnen. Op de binnenplaats staat een bed waarop de heren plaatsnemen. Ik word verzocht binnen bij Mirza's vrouw te gaan zitten. Ook de buurvrouw is op bezoek. De dames spreken geen woord Engels. Ik hoor de mannen buiten gezellig praten, terwijl ik kramp in mijn kaken krijg van het glimlachen. Uit pure verveling ga ik na een uur maar foto's maken van Mirza's baby en de vijf kinderen van de buurvrouw. Meteen een mooie smoes om naar buiten te gaan en bij de mannen plaats te nemen. Opnieuw dringt Mirza aan om te blijven eten maar na drie koppen thee vinden wij het mooi geweest.

de kinderen van de buurvrouw

Terug naar boven

 

Op weg naar Quetta
Quetta, 1 juli 2001 (door Rob)

Grensovergangen hebben altijd iets spannends. Je weet nooit wat je te wachten staat. Is de grens wel open? Wordt je rugzak doorzocht? Moet je steekpenningen betalen om het juiste stempeltje in je paspoort te krijgen? Is het visum wel in orde? Op het moment dat wij uit Bam vertrekken spelen wij nog met de gedachte om in het iraanse grensplaatsje Mirjavé te overnachten en pas de volgende dag vroeg de grens over te gaan. Als wij echter horen dat er alleen 's middags een bus vanaf de Pakistaanse kant van de grens naar Quetta gaat besluiten wij om vandaag nog door te reizen naar deze plaats.


Aangekomen bij de grens merken wij pas goed hoe warm het is. De thermometer, die standaard aan mijn dagrugzak hangt, geeft een temperatuur aan van 48 graden Celsius. Wij vluchten dan ook snel het grensgebouwtje binnen.
In tegenstelling tot de grensovergang Turkije-Iran is het hier betrekkelijk rustig. De vrouw die onze paspoorten voorziet van een 'exit'-stempel is de laatste vrouw die wij zien in chador. Nog geen vijf minuten daarna verlaten wij via een smal deurtje het Iraanse grondgebied.

Aan Pakistaanse zijde worden wij een kantoor binnengeloodst waar drie mannen stevig aan het stempelen zijn. Ik word verzocht wat gegevens in een schrift te zetten. Dan krijgen ook wij een stempel in ons paspoort. Weer buiten worden wij belaagd door geldwisselaars. Ze bieden, zoals te verwachten is, een extreem slechte koers. Na een paar keer weggelopen te zijn krijgen wij bij één wisselaar een aanvaardbare koers.

Een half uur later dan gepland vertrekt de bus richting Quetta. Tot onze verbazing werkt de airco redelijk. Bij de eerste controleplaats na de grens komt een autoritair mannetje de bus in. Vanwege zijn gedrag noemen wij hem 'de kolonel'. Een aantal mannen met een mongools uiterlijk worden blaffend gevraagd om een identiteitsbewijs. Als ze dat niet kunnen tonen worden ze hardhandig de bus uitgewerkt. Ook ik moet mee naar buiten. De mannen worden bijelkaar gedreven en gevoegd bij een andere groep. Ik moet even aan Srebrenica denken. In de brandende zon worden zij gemaand te gaan zitten. Ik sla het allemaal gade vanuit de schaduw aan de andere kant van het wachthokje totdat een van de geüniformeerde mannen mij weer terug de bus in stuurt. Onze paspoorten liggen dan nog op het tafeltje in het wachthokje. Tien minuten later komt de kolonel weer de bus in. Zowel de man die naast ons zit als ik moeten nu de bus uit. De man wordt gevoegd bij de groep en ik mag het wachthuisje binnen om onze namen in een schriftje te zetten. Daarna mag ik met onze paspoorten terug de bus in. Een half uur later zien wij door het spleetje tussen de gordijnen dat de groep mannen naar een andere bus wordt gestuurd. Het ziet er niet naar uit dat deze bus ook bestemming Quetta heeft. Wij houden er een naar gevoel aan over.

Laat op de avond stopt de bus bij een eetgelegenheid. Een beetje onwennig lopen wij naar de plaats waar het eten in grote pannen wordt klaargemaakt. De twee mannen die voor ons in de bus zitten, gebaren dat wij bij hen moeten komen zitten. Ze spreken allebei voldoende Engels om een redelijke conversatie op gang te houden. Wij maken van de gelegenheid gebruik om hen uit te horen over de gebeurtenissen bij de grens. De mannen die uit de bus zijn gehaald zijn volgens hen Afghanen die zonder papieren de grens probeerden over te komen. Wij krijgen niet de indruk dat ze er erg van onder de indruk zijn. De twee, Hayat (33 jaar) en Naveed (35 jaar), zijn compagnons. Hayat, woonachtig in Quetta, is exporteur van rijst en Naveed, die in Peshawar woont, is inkoper.

Terug in de bus maakt iedereen zich op voor de nacht, behalve Hayat en Naveed. Tot diep in de nacht stellen ze ons de meest uiteenlopende vragen. Op de vraag of wij getrouwd zijn antwoorden wij voor het gemak dat we dat sinds een jaar zijn. Dit leugentje om bestwil breekt ons nu op want de heren wensen graag een trouwfoto van ons te ontvangen. Ze gaan zelfs nog verder en verlangen over een jaar een foto van onze baby, want Pakistan is een vruchtbaar land. Langzamerhand wordt het gesprek serieuzer. Naveed vraagt mij of ik niet agent voor hun wil worden in Nederland. Hij wil boter, kaas en andere zaken importeren vanuit Nederland. Ik praat er maar een beetje omheen.
Aangekomen in Quetta nemen wij afscheid van Hayat en Naveed en checken in bij het Bloom Star hotel. Diezelfde middag gaat de telefoon. Het is Hayat die vraagt of hij even langs kan komen. Een half uur later zit ik met Hayat en Naveed in de tuin van het hotel aan de thee. Het is geen bezoek maar een 'meeting', zo blijkt achteraf. Ze komen nog even terug op hun bod om samen zaken te doen. Ik zeg hen uit beleefdheid toe dit aanbod in beraad te nemen. Dan wisselen wij emailadressen uit en nemen afscheid. Voorlopig eerst nog maar wat reizen. Wat daarna komt....dat zien we dan wel weer!

Terug naar boven