Op bedeltoer Luang Prabang, 13 april 2002 (door M)
Op mijn tenen sluip ik de kamer uit en de trap af. Het is pas half zes in de ochtend en iedereen slaapt nog. Beneden aangekomen zie ik dat er een groot hangslot op de poort zit. Buiten staat een van de jongens van het hotel. Fluisterend, om de mensen die voor een prikkie in de hal op de grond liggen niet wakker te maken, vertelt hij me dat de sleutel naast de televisie ligt. Maar helaas, daar kan ik hem niet vinden. De jongen geeft me meer aanwijzingen. Zonder resultaat. Ben ik daar nou zo vroeg voor opgestaan? Ik wil eruit! De jongen klimt over het meer dan 2 meter hoge hek om zelf op zoek te gaan naar de sleutel. 'Wat hij kan, moet ik ook kunnen', denk ik bij mezelf en al kost het mij wat meer moeite, ik klim over de poort, naar buiten.Verder...
De geheime oorlog Phonsavanh, 6 april 2002 (door Rob)
We bevinden ons vijftig kilometer ten oosten van Phonsavanh, dichtbij de Vietnamese grens. Deze omgeving was nog niet zo lang geleden het toneel van een allesvernietigende oorlog. Een oorlog die zich grotendeels in het geheim heeft afgespeeld. In officiele documenten werd de naam Laos vervangen door: 'The Other Theater'. Zelfs de mensen die in Laos woonden hadden er geen idee van wie de bombardementen uitvoerden of waarom er werd gebombardeerd. Wat was er aan de hand? Verder...
De goden verzoeken Muang Sing, 30 maart 2002 (door Rob)
We zijn nog maar net ingecheckt in het prachtig gelegen Adima Guesthouse of de manager, die tot onze grote verbazing aardig wat Nederlandse woordjes kent, informeert ons dat het voltallige personeel een paar uurtjes niet aanwezig zal zijn. Als reden geeft hij op dat er een festival gaande is in het acht kilometer verderop gelegen Muang Sing. Uit zijn enthousiasme leiden we af dat het iets bijzonders moet zijn. Het besluit om met hen mee te gaan is dan ook zo genomen.Verder...
Vier sterren in 'the middle of nowhere' Na Hin, 25 januari 2002 (door Rob)
Stijf van het verkrampt zitten op een hard bankje kruipen we uit de tuk-tuk, een bromfiets met daarachter een bakje. We hebben het gered! Na ruim twee uur over een stoffig zandweggetje te hebben gehobbeld, worden we afgezet bij het enige hotel van de hele omgeving. Na wat rek- en strekbewegingen slaan we de ergste stof van ons af. Het zeiltje dat dienst had gedaan als achterklep van de tuk-tuk heeft amper effect gehad. Mijn zwarte broek is nu lichtgrijs. Op mijn gezicht is duidelijk te zien tot waar de zakdoek heeft gezeten die ik uit nood voor mond en neus had geknoopt. Dit had HET moment kunnen zijn om een nieuwe chocotof-commercial op te nemen. Verder...
Land van stof, kip en vis Pakse, 13 januari 2002 (door M)
We zijn nog maar net op weg naar het twee kilometer verderop gelegen kruispunt, wanneer we motorgeluid denken te horen. Zou er dan toch openbaar vervoer naar het dorp toekomen en hoeven wij niet te lopen? Het is inderdaad een songthaew, een kleine pick-up truck met een dak boven de laadbak en in lengterichting twee bankjes gemonteerd. Tot ons geluk gaat de songthaew naar Pakse, onze plaats van bestemming. De chauffeur gebaart dat we meekunnen, maar maakt eerst een rondje door het dorp.Verder...
Op weg naar vierduizend eilanden Don Khong, 7 januari 2002 (door M)
Aangekomen bij de plek waar vandaan de boten moeten vertrekken, vragen we ons af of we wel goed zitten. Op de zandgrond staan wat houten kraampjes, veelal onbemand. Bij een kraampje wordt koffie geschonken. Echte Laotiaanse koffie: supersterk met een flinke scheut mierzoete gecondenseerde melk. De bijgeschoven parasol lijkt ter decoratie te zijn neergezet; het kapot gescheurde doek houdt de zon nauwelijks nog tegen. Een jongen van een jaar of 16 komt op ons af en roept vragend 'Don Khong?'. Verder...
Op bedeltoer Luang Prabang, 13 april 2002 (door M)
Op mijn tenen sluip ik de kamer uit en de trap af. Het is pas half zes in de ochtend en iedereen slaapt nog. Beneden aangekomen zie ik dat er een groot hangslot op de poort zit. Buiten staat één van de jongens van het hotel. Fluisterend, om de mensen die voor een prikkie in de hal op de grond liggen niet wakker te maken, vertelt hij me dat de sleutel naast de televisie ligt. Maar helaas, daar kan ik hem niet vinden. De jongen geeft me meer aanwijzingen. Zonder resultaat. Ben ik daar nou zo vroeg voor opgestaan? Ik wil eruit! De jongen klimt over het meer dan 2 meter hoge hek om zelf op zoek te gaan naar de sleutel. 'Wat hij kan, moet ik ook kunnen', denk ik bij mezelf en al kost het mij wat meer moeite, ik klim over de poort, naar buiten.
Het is nog een beetje donker wanneer ik door de straten van Luang Prabang loop. Auto's en brommers, die later op de dag het straatbeeld zullen bepalen, zijn er nauwelijks. Op de trottoirs zitten hier en daar wat groepjes vrouwen en een enkele man klaar met hun mandjes gestoomde kleefrijst. Voor de gelegenheid hebben ze een sjerp, meestal gemaakt van zijde, om hun bovenlijf geknoopt. Als in een droom komt er een lange rij monniken om de hoek zetten. Hun oranjekleurige gewaden steken schitterend af tegen deze grijze nevelige ochtend. Gauw schieten er nog twee vrouwen uit een steegje en nemen plaats naast de anderen. Alle vrouwen knielen, terwijl de mannen juist gaan staan. Wanneer de monniken dichterbij komen, openen ze hun mandje met kleefrijst. De monniken halen de deksel van hun bedelnap, die in een gehaakt tasje over hun schouder op hun rechterheup hangt. In iedere bedelnap wordt een handje rijst gedeponeerd. Sommige vrouwen hebben een kommetje of een glas gevuld met water bij zich zodat ze hun vingers nat kunnen maken wanneer de rijst teveel blijft plakken. Tijdens de donatie wordt er geen woord gesproken. Zodra de monniken -stilzwijgend- hun tocht vervolgen, nemen de mannen en vrouwen de draad van hun gesprek weer op. Ze blijven op hun plek in afwachting van de volgende groep.
Het ultieme doel van Theravada buddhisten, 60 procent van de Laotiaanse bevolking, is het bereiken van het nirvana. Veel Laotianen uiten het gevoel dat zij het nirvana op de een of andere manier onwaardig zijn. Door het voeden van monniken, het geven van donaties aan tempels en regelmatig bidden hopen ze hun lot te verbeteren en voldoende 'krediet' op te bouwen om het aantal wedergeboortes te verminderen zodat het nirvana eerder bereikt wordt.
Ik blijf op dezelfde plek tot de volgende groep monniken komt aangelopen, zoals altijd tijdens hun bedelronde in een lange rij achter elkaar, stilzwijgend en blootsvoets. Later op de dag zullen ze slippers aan hun voeten hebben. Overal in Laos kun je 's ochtends vroeg bedelende monniken tegenkomen. Omdat er in Luang Prabang zoveel tempels dichtbij elkaar staan en omdat de tempels hier een grote populatie hebben, is het juist in dit stadje zo'n mooi schouwspel.
Iedere buddhistische Laotiaan van het mannelijke geslacht wordt geacht tijdens een korte periode in zijn leven monnik te worden, voordat hij gaat werken of trouwen. Het is voor de familie een grote eer wanneer een zoon toetreedt. In het verleden was de tijd dat men in de tempel verbleef drie maanden, gedurende de buddhistische lente, die aanvangt in juli, gelijktijdig met het regenseizoen. Tegenwoordig is een verblijf van 15 dagen al voldoende om 'krediet' op te bouwen als monnik. Er zijn ook vele monniken die toetreden voor het leven, waarbij ze vaak het vak van leraar uitoefenen.
Monniken hebben zich te houden aan 227 beloftes. Alles wat zij bezitten moet hun geschonken zijn door de gemeenschap. Bij toetreding krijgt een nieuwe monnik drie oranjekleurige gewaden. Verder is het toegestaan een scheermes, een kop, een filter om insecten uit het drinkwater te halen, een paraplu (wordt ook veel gebruikt voor beschutting tegen de zon) en een bedelnap te bezitten. In kloosters waar men makkelijker omgaat met de strenge discipline hebben monniken een veel vrijer leven en kun je ze bijvoorbeeld op festivals rokend en drinkend aantreffen. Ook bezitten ze meer, soms zelfs mobiele telefoons!
Tegen zeven uur, wanneer de eerste zonnestralen over Luang Prabang schijnen, zijn alle monniken van straat verdwenen en lopen de Laotianen met hun lege rijstmandjes naar huis. Ik koop wat vers gebakken wafels. Het is tijd voor het ontbijt.
De geheime oorlog Phonsavanh, 6 april 2002 (door Rob)
We bevinden ons vijftig kilometer ten oosten van Phonsavanh, dichtbij de Vietnamese grens. Deze omgeving was nog niet zo lang geleden het toneel van een allesvernietigende oorlog. Een oorlog die zich grotendeels in het geheim heeft afgespeeld. In officiele documenten werd de naam Laos vervangen door: 'The Other Theater'. Zelfs de mensen die in Laos woonden hadden er geen idee van wie de bombardementen uitvoerden of waarom er werd gebombardeerd. Wat was er aan de hand?
Nadat de Fransen zich in 1954 volledig hadden teruggetrokken uit Indochina (Vietnam, Cambodja en Laos) waren het vooral de Amerikanen die zich erg druk maakten over de toenemende macht van de communistische Viet Minh in Noord-Vietnam. Op verschillende manieren hebben zij getracht de communisten buiten de deur te houden in Laos. Zo betaalden zij de salarissen van 50.000 koningsgezinde soldaten en de bijbehorende corrupte officieren. Ondanks de Amerikaanse inmenging in interne aangelegenheden bleef het rommelen tussen de koningsgezinden en de door de Viet Minh gesteunde oppositiepartij Pathet Lao. De één na de andere coupe werd gepleegd. In 1962 werd in Geneve een internationaal akkoord bereikt over Laos waarin de neutraliteit van het land werd gegarandeerd. Impliciet hield dit akkoord in dat de Vietnamese Viet Minh geen gebruik mocht maken van de Ho Chi Minh Trail, een netwerk van paadjes en weggetjes in Oost-Laos, parallel aan de grens met Vietnam.
Ondanks dit akkoord werd de Ho Chi Minh Trail wel degelijk gebruikt door het Noordvietnamese leger. Het was voor hun de perfecte aanvoerroute van munitie, voedsel en brandstof richting Zuid-Vietnam waar het nodig was in de strijd tegen het Zuidvietnamese leger met haar Amerikaanse 'adviseurs' (lees: soldaten). De Noordvietnamezen hebben het bestaan van de Ho Chi Minh Trail gedurende het grootste deel van de oorlog overigens ontkend jegens de internationale gemeenschap. De Amerikanen op hun beurt ontkenden dat zij het pad onder vuur namen.
Ondanks alle inspanningen van de Amerikanen is het pad nooit lang onbruikbaar geweest. Zelfs het uitstorten van ladingen pesticiden had weinig effect. Ook het droppen van blikjes Budweiser bier -in de hoop dat de Vietnamezen zich een delirium zouden drinken- had niet het beoogde resultaat. Behalve de bommen op de Ho Chi Minh Trail werden er overigens ook nog eens duizenden ladingen bommen gedropt door terugkerende Amerikaanse B-52's die hun doelen in Vietnam om welke reden dan ook niet hadden bereikt en zich voor terugkeer moesten ontdoen van al hun lading.
Met deze afschuwelijke geschiedenis in het achterhoofd staan we met onze gids, Phou, aan de rand van é én van de vele bomkraters in dit gebied. We worden er stil van. Op weg naar Ban Na Sala stoppen we even bij een schroothandelaar waar een enorme berg roestig bomafval ligt. Op é én van de bommen zie ik een goed leesbaar etiket zitten: "loading date: December 1967", een maand na mijn geboorte. Een raar idee. Phou vertelt mij dat een kilo ijzer 300 kip kost, omgerekend drieëneenhalve eurocent. Zelf is hij een vervent verzamelaar van bomijzer. Zijn grote droom is om ooit nog eens een hotel te bouwen met voornamelijk bomrestanten. In Ban Na Sala worden hem twee kleine halfronde onderdelen van een clusterbom aangeboden. Zonder aarzeling koopt hij de twee helften van de man die een behoorlijk litteken op zijn gezicht heeft. Volgens Phou opgelopen toen hij het kruit uit een niet ontplofte bom probeerde te halen.
Als we verder het kleine Hmong-dorpje inlopen zien we dat de dorpelingen restanten van bommen hebben gebruikt voor het maken van bloembakken, hekwerken en zelfs steunpilaren voor kippenhokken. Een rare gewaarwording. Onwerkelijk is het beeld van een jongetje die met zijn kleine broertje op z'n rug ons zittend op een roestige bom aanstaart (zie foto galerij).
Nadat we afscheid hebben genomen van de bijzonder aardige mensen in Ban Na Sala gaan we naar een andere gedenkwaardige plek in de buurt, de Tam Phiu grot. Hier vonden op 8 maart 1968 driehonderdvijfenzestig dorpelingen de dood doordat een T-28 gevechtsbommenwerper de grot ten onrechte aanzag voor een schuilplaats van de gevreesde Pathet Lao. De mensen in de grot hadden zich daar teruggetrokken om te ontsnappen aan de hevige bombardementen. In de nachtelijke uren, als de bombardementen waren gestopt, verlieten zij de grot om te werken op de rijstvelden. Een taak die overdag veel te gevaarlijk was.
Een paar dagen later zijn we in Vieng Xai, een bescheiden plaatsje met een roemrucht verleden. Hier hadden de kopstukken van de communistische Pathet Lao zich gedurende de bombardementen (1965-1974) teruggetrokken in grotten. Strategisch een prima plek omdat de grotten zich bevinden in bergachtig terrein. Door de puntige bergtoppen die ook nog eens op korte afstand van elkaar liggen, was effectief bombarderen vrijwel onmogelijk. In de grotten had men diverse voorzieningen aangebracht. Er waren ziekenhuizen, vergaderzalen, slaapkamers, garages en zelfs een theater. De grotten zijn op loopafstand van elkaar en genoemd naar de belangrijkste bewoner van destijds. De grot van de latere president Kaysone Phomvihane is de meest indrukwekkende, doordat het de enige is waar het originele meubilair nog te zien is. Hier hielden de Pathet Lao-kopstukken hun vergaderingen tijdens bombardementen. Men was op alles voorbereid. Zo is er zelfs een luchtdichte ruimte met zuurstofpomp waar men zich kon terugtrekken bij een eventuele gasaanval. Prominent op het uiterst bescheiden en simpele bureautje van Kaysone ligt een boek van generaal Ho Chi Minh en een van Lenin. Op een betonnen rand dat diende als schild tegen inslaande bommen, staat een portret van Che Guevara, naar horen zeggen een geschenk van Fidel Castro.
Hoe geheim de oorlog ook was, de sporen ervan zijn tot op de dag van vandaag nog steeds duidelijk zichtbaar in Laos. Zo zie je overal grote witte landrovers rijden met het blauwe UXO-logo (unexploded ordnance). Deze teams hebben de eerbare taak om het land te ontdoen van niet ontplofte explosieven, de erfenis van negen jaar oorlog. Van 1964 tot 1973 zijn maar liefst 1,1 miljoen ton bommen op Laos neergedaald. Nergens ter wereld vielen er zoveel bommen per hoofd van de bevolking.
Deze oorlog heeft de Amerikaanse belastingbetalers naar schatting 200 miljoen dollar per dag gekost en dat negen jaar lang! Het heeft evenwel niet kunnen voorkomen dat de communisten de macht overnamen. December 1976 is de monarchie afgeschaft en de Democratische Volksrepubliek Laos werd een feit.
De goden verzoeken Muang Sing, 30 maart 2002 (door Rob)
We zijn nog maar net ingecheckt in het prachtig gelegen Adima Guesthouse of de manager, die tot onze grote verbazing aardig wat Nederlandse woordjes kent, informeert ons dat het voltallige personeel een paar uurtjes niet aanwezig zal zijn. Als reden geeft hij op dat er een festival gaande is in het acht kilometer verderop gelegen Muang Sing. Uit zijn enthousiasme leiden we af dat het iets bijzonders moet zijn. Het besluit om met hen mee te gaan is dan ook zo genomen.
Achter een klooster- en tempelcomplex is het festivalterrein. Hier worden we opgewacht door een aantal dames die ons tegen een kleine vergoeding een lintje opspelden. Op het braakliggende terrein is het al een drukte van jewelste. Het is duidelijk te merken dat het al een tijdje niet meer geregend heeft. De overblijfselen van de rijstplantjes, die hier een paar maanden geleden nog stonden, steken zielig uit de kurkdroge grond. De luide muziek die uit de verschillende geluidsinstallaties komt, geeft het geheel een kermisachtig sfeertje.
In eerste instantie zie ik alleen kraampjes met eten en drinken. Dan hoor ik een luid gesis uit de verte, gevolgd door een doffe knal. Als ik ernaar toe loop sta ik per ongeluk midden in een groep dansende vrouwen. Twee aan twee lopen ze een cirkel waarbij hun armen en handen om beurten een sierlijke beweging maken. Om zich enigszins te beschermen tegen de zon dragen de oudere vrouwen een feestelijk hoedje. De jongere generatie ziet zichzelf liever met een baseballpet. De danspasjes zijn weinig spannend waardoor ik het al snel heb gezien. Net als ik verder wil lopen komt er een groep luidruchtige jongens mijn richting uit. Ze dragen een lange bamboestok die aan het uiteinde voorzien is van een aantal kortere stukjes bamboe. Dit moet een raket zijn waarover ik eerder heb gelezen. Een aantal jongens draagt vrouwenkleding, inclusief beha en make-up. Tot grote hilariteit van de overigen sluiten zij aan achter de dansende vrouwen die zich daar overigens weinig van aantrekken. Het bamboegevaarte wordt naar een uithoek gedragen waar het wordt gezegend met veel Beer Lao. Ook de jongens zelf zijn niet vies van de fles(sen). Als de raket klaar is voor de vuurdoop wordt hij een grote stellage, eveneens gemaakt van bamboe, opgedragen. Terwijl ze de raket vastbinden naast een andere, danst de grootste lefgozer van het stel met erotische bewegingen op de lanceerinrichting. Ik heb inmiddels op veilige afstand plaats genomen op een klein dijkje tussen twee rijstvelden. Naast mij zitten twee kleine monnikjes van een jaar of acht die hun speelgoedgeweren richten op alles en iedereen wat voorbij komt. Als de lonten worden aangestoken speert de lefgozer naar beneden. Het duurt dan nog een eeuwigheid voordat er iets gebeurt. Net als ik denk dat de lonten zijn gedoofd, begint de ingezegende raket enorm te sissen. Met een luide knal stijgt het gevaarte op om meteen weer de daling in te zetten. De tweede raket heeft het een stuk moeilijker. Het gesis wordt alsmaar luider en de lanceerinrichting begint behoorlijk te schudden. Een grote grijze wolk komt langzaam mijn kant op. De dansende vrouwen stoppen acuut met dansen en zoeken een veilig heenkomen. Minutenlang komt er zwarte as naar beneden. Ondertussen wordt de maker van de haperende raket op de schouders genomen en onder luid gejoel in een modderpoel geworpen.
Nog voor de komst van het buddhisme bestond het raketfestival of Bun Bang Fai al. Ook in het buddhisme heeft het een plaats gekregen. Sterker nog, in vroeger dagen waren het vooral buddhistische monniken die voldoende kennis en vooral tijd hadden om de raketten te maken. Met het lanceren van de raketten wil men de regengod Vassakarn, die toevallig ook een passie heeft voor vuur, gunstig stemmen om veel regen op aarde te laten afdalen. Het is dus niet zo verwonderlijk dat het tweedaagse festival juist op het einde van het droge seizoen wordt gehouden (mei). Dat de raketten in Muang Sing al eind maart worden gelanceerd heeft volgens de manager van ons guesthouse te maken met het feit dat de renovaties aan de tempel onlangs zijn afgerond. Omdat de (religieuze) hoogwaardigheidsbekleders voor deze gelegenheid toch al in het dorp zijn, heeft men van de gelegenheid gebruik gemaakt om meteen het Bun Bang Fai-festival mee te nemen.
Als we in de namiddag terug zijn bij het guesthouse zien we in de verte donkere wolken opdoemen. Verbaasd kijken we elkaar aan als we een bliksemschicht zien en donder horen. Niet veel later komt de regen met bakken uit de hemel zetten. Vassakarn is op deze eerste dag van het festival blijkbaar al erg in zijn of haar nopjes. Benieuwd wat de dag van morgen gaat brengen.
Vier
sterren in 'the middle of nowhere' Na Hin, 25 januari 2002 (door Rob)
Stijf van het verkrampt zitten op een hard bankje kruipen
we uit de tuk-tuk, een bromfiets met daarachter een bakje. We
hebben het gered! Na ruim twee uur over een stoffig zandweggetje
te hebben gehobbeld, worden we afgezet bij het enige hotel van
de hele omgeving. Na wat rek- en strekbewegingen slaan we de
ergste stof van ons af. Het zeiltje dat dienst had gedaan als
achterklep van de tuk-tuk heeft amper effect gehad. Mijn zwarte
broek is nu lichtgrijs. Op mijn gezicht is duidelijk te zien
tot waar de zakdoek heeft gezeten die ik uit nood voor mond
en neus had geknoopt. Dit had HET moment kunnen zijn om een
nieuwe chocotof-commercial op te nemen.
Een vriendelijke jongen van een jaar of vijfentwintig schuift
het poortje, gemaakt van bamboe, opzij en loopt zwijgend voor
ons uit. Met een zucht van opluchting doen wij onze rugzakken
af. De jongeman, die even uit ons zicht was verdwenen, komt
terug met twee glazen koud water. Hoewel de vraag of er nog
een kamer beschikbaar is overbodig lijkt, stellen we hem toch.
De jongen lacht vriendelijk en wijst naar het prachtige stijlvolle
houten gebouw naast het restaurant.
We bevinden ons in het nationaal park Phu Hin Bun, vijftig kilometer
ten noorden van Tha Khaek. Een van de attracties van dit park
is een immense tunnelachtige grot die dwars door een berg loopt.
Door deze grot stroomt de rivier Hin Bun, waarnaar het park
is genoemd. Omdat dit gebied nog niet zo heel lang geleden de
status van nationaal park heeft gekregen is accomodatie (nog)
schaars. Volgens onze reisgids is Sala Hine Boun het hotel waar
vandaan een expeditie naar de grot het beste kan worden gestart.
Tijdens de afgelopen weken hebben we al in meer plaatsen hotels
gezien die tot
de 'Sala-keten' behoren, en ik moet zeggen, ze hebben allemaal
stijl. Meer stijl in ieder geval dan past in ons budget, althans,
zo dachten wij tot voor kort. Een kleine rekensom leerde namelijk
dat we tot nog toe verbazingwekkend weinig geld hadden uitgegeven
in Laos. Twee overnachtingen, à raison van 18 dollar per nacht,
moesten voor een keertje wel kunnen. Dit lijkt niet veel maar
is toch gauw 15 dollar duurder dan gebruikelijk hier in Laos.
Nadat we de glazen water hebben opgedronken brengen we de rugzakken
naar onze kamer. Omdat er geen andere gasten zijn mogen we zelfs
kiezen welke van de zeven kamers wij willen betrekken. Als we
onze keuze hebben gemaakt, willen we niets liever dan een douche.
En die is er! Met warm water en al.
Als we daarna op de rotan stoeltjes voor onze kamer zitten,
komt een andere jongen naar ons toe. Hij blijkt de zoon van
de eigenaar te zijn en is de manager van Sala Hine Boun. Wij
vragen hem of het mogelijk is om wat te eten te krijgen. Dat
is op dit moment helaas niet mogelijk omdat de kok, bij gebrek
aan gasten, eerder op de dag al naar huis is gestuurd. Wel weet
hij ons gerust te stellen met de belofte dat er 's avonds wel
gegeten kan worden in het restaurant. Gelukkig hebben wij nog
cup-a-soup!
Het is altijd de bedoeling geweest om per fiets naar het acht
kilometer verderop gelegen dorpje in de buurt van de grot te
gaan. Hier vandaan zou het mogelijk zijn om een boot te charteren.
Dit idee hebben we snel laten varen toen we zagen hoe zanderig
de wegen in deze buurt zijn. Het alternatief is dan lopen of
...... de boot van Sala Hine Boun charteren.
Tijdens het ontbijt is de boot, of liever kano, in gereedheid
gebracht. Zwemvesten dienen als rugkussentjes. Behalve de jongen
die ons gisteren heeft ontvangen, gaat er nog een knul van een
jaar of zestien mee die plaats neemt aan het roer. Nu we voor
de 'luxe' optie hebben gekozen, gaan we er eens lekker voor
zitten. Maar dat duurt niet lang want al na tien minuten varen
moeten we de boot uit, omdat we teveel diepgang hebben voor
het lage water. Gelukkig hebben we allebei badslippers meegenomen
die van pas komen als we een paar meter door het water moeten
banjeren.
Gedurende de trip genieten we met volle teugen van het landschap.
Het puntige antracietgrijze karstgebergte torent hoog boven
alles uit. Het is verbazingwekkend hoe bomen kunnen groeien
op deze stijle wanden. Langs de oevers zijn op veel plaatsen
stukjes land afgezet met bamboestokken waarop gewassen worden
verbouwd. Dit kan alleen in de droge tijd als het water laag
staat. Zodra de regentijd aanbreekt zal de Hin Bun deze veldjes
weer opslokken. Hoewel we het gevoel hebben op het einde van
de wereld te zijn aangekomen, zien we telkens weer dorpjes verschijnen,
hoog op de oevers. Aan de waterkant staan talloze vrouwen tot
hun knieen in het water om hun lange haren te wassen. De kleurrijke
sarongs, die normaal dienst doen als rokken, hebben ze voor
de gelegenheid tot onder hun oksels opgetrokken. Kinderen komen
bij het horen van het geluid van onze buitenboordmotor al schreeuwend
aangerend. Ze zwaaien allemaal erg enthousiast. Wij wuiven terug
en krijgen het gevoel alsof we van koninklijke afkomst zijn.
Ook zien we meisjes en vrouwen met een grote rieten zeef zoeken
naar schelpdiertjes.
Na ruim een uur varen zien we de aanzienlijke mond van de Tham
Lot Kong Lo grot. We kunnen nog steeds niet geloven dat deze
grot helemaal doorloopt tot de andere kant, vier kilometer verderop.
Onze reisgids meldt dat de mensen aan de andere zijde alleen
via deze grottunnel in de 'bewoonde wereld' kunnen komen. Een
raar idee.
Voordat we de grot invaren worden wij verzocht het eerste stukje
te lopen, want de boot moet meteen al een kleine stroomversnelling
op worden getrokken. Vanuit de verte zien we dat deze klus niet
zo eenvoudig is. Wij maken van de gelegenheid gebruik om onze
truien aan te trekken; het is behoorlijk frisjes. Als we weer
in de boot zitten en het daglicht steeds verder weg zien gaan,
zet onze gids er een aardig tempo in. Niet veel later is het
daglicht volledig verdwenen. Voor de gelegenheid hebben wij
een grote zaklamp gekregen waarmee we de rotswand beschijnen.
Op sommige plaatsen is de grot zo hoog en wijd dat de lichtbundel
in het niets verdwijnt. Dan maakt de boot een schurend geluid.
Het water is blijkbaar weer eens te laag. Ditmaal kunnen we
amper zien waar we lopen. Voor meer stevigheid waden wij gearmd
door het water, totdat we een teken krijgen om de boot in te
gaan. Na een half uur varen stapt de gids uit en gebaart ons
om hem te volgen. In de veronderstelling dat het water weer
laag staat volgen wij hem. Dit blijkt niet zo te zijn. Hij neemt
ons mee naar 'de tempel', een drooggevallen zijtak van de grot,
waar na wat klauterwerk
groepen glinsterende stalagmieten te zien zijn. Helaas zijn
veel van deze puntige uitsteeksels door de lokale bevolking
beschadigd in de hoop goud of zilver aan te treffen. Desalniettemin
gebruikt men de tempel nog steeds voor religieuze ceremonies.
Na een uur en drie kwartier komt er weer daglicht in zicht.
We zijn aangekomen aan de andere kant waar stalagtieten de grot
een bijzonder karakter geven. We nuttigen de lunch, gebakken
rijst verpakt in een bananenblad, in een verlaten bamboehutje.
Het geheel wordt stijlvol opgediend zoals we dat inmiddels gewend
zijn van Sala Hine Boun, inclusief echte servetten.
De terugreis gaat beduidend sneller en ook nu staan er weer
talloze kinderen ons enthousiast toe te zwaaien. Buffels, die
de koelte van het water hebben opgezocht, kijken ons verveeld
aan als we hen passeren. Als we in de namiddag aankomen bij
Sala Hine Boun worden we opgewacht door het meisje van het restaurant.
In haar handen heeft zij een dienblad met twee glazen water.
Wat kan het leven van een budgetreiziger toch mooi zijn.
Land
van stof, kip en vis Pakse, 13 januari 2002 (door M)
We zijn nog maar net op weg naar het twee kilometer verderop
gelegen kruispunt, wanneer we motorgeluid denken te horen. Zou
er dan toch openbaar vervoer naar het dorp toekomen en hoeven
wij niet te lopen? Het is inderdaad een songthaew, een kleine
pick-up truck met een dak boven de laadbak en in lengterichting
twee bankjes gemonteerd. Tot ons geluk gaat de songthaew naar
Pakse, onze plaats van bestemming. De chauffeur gebaart dat
we meekunnen, maar maakt eerst een rondje door het dorp.
Wanneer we de songthaew opnieuw zien, kunnen we ons niet voorstellen
dat ook wij er nog bij kunnen. Zonder aarzelen gebaart de assistent,
die voor plaatsverdeling en het innen van het geld zorgt, dat
de rugzakken en Pok op het dak, dat zeker al zo'n acht man en
een ongelooflijke hoeveelheid bagage draagt, moeten. Ik kijk
de bak in en een ontelbaar aantal ogen staart terug. Omdat ook
de assistent inziet dat ik daar niet meer bij pas, wordt er
een plekje op de volle treeplank gecreëerd. Met
mijn rug naar de bak zit ik op een ietwat vochtige 50 kg. rijstzak
met onbekende inhoud. Die stevige zakken worden hier in Laos
voor allerlei (transport)doeleinden gebruikt. Naast mij staan
twee op elkaar gestapelde soeppannen, de bovenste afgedekt met
een doek. Ook staan er twee afgedekte emmers. Aan de andere
kant een aantal grote dozen en een flinke boodschappentas met
levende kippen.
Op het moment dat de songthaew wegrijdt, weet ik niet hoe snel
ik naar een zakdoek moet grijpen om voor neus en mond te houden.
Dit is het echte stofhappen! De eerste 20 kilometer is de weg
niet alleen onverhard, er ligt zeker 5 centimeter los zand op
dat flink opdwarrelt bij iedere beweging. Dan maakt de songthaew
door de enorme gaten in de weg gekke bokkesprongen. Niet alleen
wij worden door elkaar geschud; de inhoud van de soeppan lijkt
uit zichzelf te gaan bewegen. Wat kan daar toch inzitten? De
eigenares gilt dat het rustiger aan moet. Mijn nieuwgierigheid
wordt alleen maar groter.
De songthaew stopt en velen willen uitstappen. Ik snap er niets
van. We hebben hooguit een kilometer gereden, de doorgaande
weg nog niet bereikt en woningen zijn niet te bekennen. Bij
het afstappen (iedereen moet over mijn stukje van de treeplank)
schop ik één van de emmers om. Er loopt water uit. Of is het
wel water? Ik zet de emmer gauw rechtop en neem plaats in de
bak. Niet veel later stappen er weer vele mensen in. Er hebben
zich nu, zonder overdrijven, 20 volwassenen en 12 kinderen in
de bak gepropt.
Pas wanneer na een paar kilometer er weer een heel stel uitstapt,
krijg ik in de gaten wat er aan de hand is. De pick-up is gezien
de deplorabele staat van de weg te zwaar beladen. Op sommige
delen moeten mensen eruit en een stukje lopen. Zodra de ergste
gaten en hobbels genomen zijn, hernemen zij hun plekje. Hoewel
ik bij de eerste onderbreking op andermans plaats ben gaan zitten,
is er niemand die me kwaad aankijkt. De jonge moedertjes knikken
me vriendelijk toe en wanneer hun kleintjes jammeren of huilen
wijzen ze naar mij, de 'falang'. Wordt ik geacht gekke bekken
te trekken? De vrouw van middelbare leeftijd die direct naast
me zit, is helaas minder rustig. Aan een stuk door geeft ze
met keiharde stem haar mening over van alles en nog wat.
Een meisje van een jaar of vier, gekleed in een felroze jurkje,
is hevig aan het transpireren. Grote zweetdruppels parelen rond
haar neus. Dat kan twee dingen betekenen: overgeven of flauw
vallen. Ik gok op het eerste. En ja hoor, bij de eerstvolgende
hobbel spuugt ze in de jas die ze in haar handen heeft. De reactie
van haar moeder bevreemdt me: ze krijgt een flinke tik op haar
hoofd. Wanneer we ongeveer een uur onderweg zijn, bereiken we
een voor Laotiaanse begrippen druk kruispunt. In
een mum van tijd krioelt het om de songthaew van de straatverkopers,
die bijzonder goede zaken doen. Het lijkt wel een schoolreisje
waarbij iedereen wil snoepen in de bus. Gebarbequede kippendelen
en ander niet te definiëren gevogelte met kleefrijst zijn de
favoriet. Ook maiskolven en gefrituurde deegballen worden veel
gekocht. Het jongetje dat tegen mijn knieën aanhangt, heeft
een bosje met takjes versgeplukte pinda's gekregen. Onbedachtzaam
pelt hij ze en laat de schillen op mijn broek vallen. Nadat
er nog wat levende kippen, met de poten aan elkaar gebonden,
tussen de dozen op de treeplank gepropt zijn, vervolgen wij
onze weg. Iedereen smakt naar hartelust ('met je mond dicht
eten' wordt hier blijkbaar niet geleerd) en de bak vult zich
met allerlei etensgeuren. Zou het 4-jarige meisje dat wel aankunnen?
Met veel smaak sabbelt ze op een pomelo. Helaas blijkt ook fris
fruit haar geen goed te doen. Gelukkig heeft ze de jas nog steeds
in haar handen. Nadat die gevuld is met de rest van haar maaginhoud
wordt ze tussen haar moeder en de vrouw daarnaast getrokken,
zodat haar hoofd zich buiten de bak bevindt en wij nog slechts
zicht hebben op spartelende beentjes. Zo zal ze de rest van
de reis meemaken.
Na aankomst op het busstation wordt de meeste cargo overgeheveld
op karren. Door het verplaatsen van de zware soeppannen laat
het er overheen gespannen doek wat los en springt een deel van
de inhoud over de rand. Pas dan weet ik dat we pannen en emmers
met levende vis aan boord hadden!
Op
weg naar vierduizend eilanden Don Khong, 7 januari 2002 (door M)
Aangekomen bij de plek waar vandaan de boten moeten vertrekken,
vragen we ons af of we wel goed zitten. Op de zandgrond staan
wat houten kraampjes, veelal onbemand. Bij een kraampje wordt
koffie geschonken. Echte Laotiaanse koffie: supersterk met een
flinke scheut mierzoete gecondenseerde melk. De bijgeschoven
parasol lijkt ter decoratie te zijn neergezet; het kapot gescheurde
doek houdt de zon nauwelijks nog tegen. Een jongen van een jaar
of 16 komt op ons af en roept vragend 'Don Khong?'.
Dat is inderdaad de plaats waar we naartoe willen vandaag. Hij
wenkt ons naar de rand van de 'kade' achter de kraampjes, wijst
en roept; 'my boat!'. Ver beneden ons zien we drie langwerpige
houten boten liggen, die nog het meest lijken op grote kano's.
We begrijpen nu dat we op de oever van de Se Don staan. Omdat
het water in de rivier heel laag staat, zullen we een steile
helling af moeten om bij de boten te komen. Meteen staan er
nog twee knullen om ons heen die enthousiast naar de andere
boten wijzen. Er gaan blijkbaar drie boten en ze schijnen allemaal
om 7 uur te vertrekken.
De bootvaart tussen Pakse en Don Khong is nog maar een van de
weinige reguliere passagiersdiensten in Laos. Doordat er steeds
meer en betere wegen komen, kiezen de meeste mensen voor reizen
per bus/vrachtwagen. Dat is niet alleen veel sneller maar ook
beduidend goedkoper.
Omdat we een lange tocht voor de boeg hebben, willen we voor
we op de boot stappen eerst wat proviand inslaan. Pok
blijft bij de bagage en ik ga op zoek naar baguettes, een van
de overblijfsels uit de tijd van de Franse overheersing. Tot
mijn verbazing is het op de markt nog erg rustig. Bij de meeste
kramen moet men de waar nog uitstallen. Baguetteverkopers zijn
in geen velden of wegen te bekennen. Een groenteverkoopstertje
wijst me in de richting van het postkantoor, maar ook in die
straat noch in de zijstraatjes kom ik een baguettestalletje
tegen. Uiteindelijk loop ik maar naar de hoofdweg waar we tot
nog toe elke dag een verrijdbaar kraampje zagen. Hier heb ik
meer geluk. Met nog warme baguettes loop ik snel terug naar
de 'kade', het is tenslotte al bijna 7 uur. Daar aangekomen
blijkt dat ik me helemaal niet had hoeven haasten, want de vertrektijd
van de boten is, bij gebrek aan voldoende passagiers, aangepast
naar 8 uur. Dit is Laos!
Om zeker te zijn van een goede plaats gaan we toch alvast naar
de boot. Over de gehele lengte, die ik schat op zo'n 10 meter,
is een dak geplaatst. Op de bodem liggen rieten matten waarop
al heel wat mensen zitten, vaak met grote tassen en andere bagage
bij zich. Aan de achterzijde staat een indrukwekkend motorblok
die met een touw vanaf het dak op z'n plaats wordt gehouden.
Uit de motor steekt een lange ijzeren pijp met aan het einde
de schroef. Een grote doorzichtige jerrycan doet dienst als
benzinetank. Het roer wordt bediend middels een autostuur, dat
zich iets voor het motorblok bevindt. Vlakbij de loopplank zit
een groep vrouwen waarvan sommigen al heel oud lijken, maar
of ze dat ook zijn? Wanneer ik, met mijn hoofd gebukt om niet
tegen de balken van het dak te stoten, langs hen loop, pakt
een vrouwtje mijn hand beet. Ik ga er maar van uit dat ze me
zo wil begroeten. Glimlachend zeg ik 'sabadi' en ik krijg een
hele grote glimlach terug. Iets voorbij het midden van de anderhalve
meter brede boot is er nog plaats voor ons. Ondertussen wordt
steeds meer bagage op het dak gebonden. Grote dozen en manden,
een fiets en zelfs aluminium golfplaten en ander bouwmateriaal,
maar ook kratten Beerlao worden vanaf de hoge oever naar de
boot gesjouwd. Om 10 voor negen is het dan eindelijk zover,
de motor wordt gestart. Binnen no time laten we de Se Don achter
ons en varen verder over de Mekong. Het water van de rivier
is modderbruin. Onvoorstelbaar dat er toch zoveel vis uit komt.
Direct naast ons zit een moeder met haar baby en een oudere
zoon. Ook deze vrouw ziet er veel ouder uit dan ze in werkelijkheid
zal zijn. Zeer regelmatig smeert ze een witte pasta uit een
plastic potje op een groen blad, vouwt het dubbel en stopt het
in haar mond. Er achteraan gaat een flinke pluk tabak. Geen
wonder dat ze regelmatig moet opstaan om over de rand te spugen.
Door de sirih zijn haar mond en tanden vreemd rood gekleurd.
Zoals de meeste babies in Laos heeft ook haar spruit geen luier
om. Iedere keer als ze het letterlijk in haar broek doet (en
daarbij de schoot van haar moeder nat plast), krijgt ze gewoon
een andere droge broek aan. De natgeplaste broekjes worden op
de rand van de boot in de zon te drogen gelegd. Het zou me niet
eens verbazen als die zonder wassen weer gebruikt worden.
Na anderhalf uur varen volgt de eerste stop. Aan de oever staat
een tiental meisjes ons op te wachten, met in hun handen de
koopwaar. Om maar beter bij ons te kunnen, stappen ze vanaf
de kant gewoon in het water. Dat hun kleurige sarongs (lange
rokken) daarbij tot op de knieën kletsnat worden, schijnt hen
niet te deren. Ondanks het vroege tijdstip wordt vooral gegrild
vlees, geklemd tussen bamboestokken, afgenomen.
Na deze eerste stop volgen er nog vele. Vanaf het midden van
de rivier wordt de boot met volle vaart naar de kant gestuurd.
Op het juiste moment wordt de schroef uit het water getild,
waardoor we al dobberend de kant bereiken. Door het ontbreken
van een steiger of iets dergelijks moeten de uitstappende passagiers
de veelal modderige wal op springen. Het
is duidelijk dat er geen reguliere haltes zijn. Er wordt daar
gestopt waar mensen er uit willen. Vanaf het water kunnen we
zelfs nauwelijks zien of er dorpen zijn. Een enkele keer zien
we hoog boven ons op de oever wat bamboehuisjes op palen. Verder
heel veel bomen, zoals bananen- en palmbomen. Op alle door het
lage water vrijgekomen stukjes vruchtbare grond wordt groente
verbouwd. Hier en daar zien we spelende kinderen, altijd enthousiast
naar ons zwaaiend.
Na een paar uur gevaren te hebben wordt mij duidelijk waarom
er toch nog zoveel mensen, buiten de toeristen, gebruik maken
van deze bootdienst. Iedereen die inmiddels is uitgestapt deed
dat aan de rechteroever. En daar loopt geen weg, en dus is er
ook geen busvervoer. Voor deze mensen is de boot geen plezierig
dagtochtje, maar pure noodzaak.
Iets na 5 uur in de middag meert de boot aan op Don Khong, de
eindbestemming. Dit is het grootste eiland van Si Phan Don,
Vierduizend Eilanden. Deze eilandengroep, grenzend aan Cambodja,
telt zeker geen 4.000 stuks, maar wanneer in de droge tijd als
het water laag staat alle drooggevallen zandbanken meegeteld
worden, kom je daar misschien bij in de buurt.