''Terugkijkend
heeft deze kleding ook zijn positieve kanten gehad...'
''Ze kijken allemaal met de grootst mogelijke onschuld terug...'
''Wanneer we een trap oplopen, staan we opeens op het dak van de bazaar...'
'Dit is meteen onze vuurdoop met iraans
leidingwater...'
'Dit is voor ons een fantastische gelegenheid
meer over Iran en haar bevolking te weten te komen...'
'Als ik de camera wil opbergen
staat er plots een politie-agent voor mij...'
'Jezus is God'...
'Amir vertelt ons dan dat de heren mensensmokkelaars
zijn...'
'De mannenafdeling voor in de bus wordt
met hekken afgescheiden van de vrouwenvleugel...'
'In geen velden of wegen is een grenspost
te bekennen...'
De
soepjurk en hoofddoek (epiloog) Bam, 29 juni 2001 (door M)
Wanneer wij, na precies drie weken in Iran, een tocht maken
in de bergen van Kerman, hoef ik mij niet te houden aan
de iraanse kledingvoorschriften. Het voelt bijna als een
bevrijding dat ik bij het klimmen geen rekening hoef te
houden met de lange jas en vooral dat ik de wind in mijn
nek, langs mijn oren en door mijn haar kan voelen. Verder...
De
truc met de chador Kerman, 28 juni 2001 (door P)
In de bazaar van Kerman heeft M een paar stalletjes gezien
waar ze bijzondere ringen verkopen. Om voorbereid te zijn
op een eventuele koop hevelen wij 50.000 rials (ƒ 15,=)
over naar de portemonnee van M. Verder...
Tussen
Iran en Irak Yazd, 20 juni 2001 (door M)
We ontmoeten Raed bij de ingang van de bazaar, wanneer Pok
daar opnames maakt van een stel bouwvakkers. Hij legt ons
wel even uit waar de mannen mee bezig zijn. Vervolgens moeten
we met hem mee naar het suikerfabriekje waar hij tot twee
maanden geleden in dienst was. Terwijl daar hard gewerkt
wordt, vertelt hij ons hoe van zakken met 50 kg. kristalsuiker
grote klompen suiker in konische vorm gemaakt worden. Deze
klompen gaan naar o.a. theehuizen waar er suikerklontjes
van gehakt worden. Verder...
Op
bezoek bij de Karimi's Kashan, 13 juni 2001 (door M)
Een italiaans uitziend mannetje wenkt ons met zich mee te
gaan. Uit de stortvloed van woorden herkennen wij chay en
sharbat. Het is overduidelijk: hij wil dat wij wat bij hem
komen drinken. Volgens goed iraans gebruik slaan wij zijn
aanbod tot tweemaal toe af. Wanneer hij blijft aandringen,
weten wij dat het echt gemeend is. Graag gaan wij met hem
mee. Verder...
Jezus in Iran Kashan, 12 juni 2001 (door Rob)
Via gate 5 komen wij aan bij de perrons van het treinstation
in Teheran. Op spoor 10 staat de trein naar Kashan al gereed,
toch mag nog niemand de trein in. Terwijl M aan de praat
raakt met een paar meisjes maak ik wat video-opnamen van
de trein. Als ik de camera wil opbergen staat er plots een
politie-agent voor mij. Verder...
Aan tafel met een apart gezelschap Teheran, 11 juni 2001 (door M)
Vandaag willen wij eens echt Iraans eten. Dat kan bij een
restaurant in de buurt van ons hotel. Helaas, het is dicht.
De reden die in Farsikrullen op de deur staat, kunnen wij
(nog) niet ontcijferen. Omdat er behalve snackbarvoedsel
in deze buurt niets te krijgen is en wij geen zin hebben
weer een eind te lopen, gaan wij maar eens kijken wat ons
eigen hotel te bieden heeft. En wellicht ontmoeten wij dan
nog wat andere reizigers met wie wij ervaringen kunnen uitwisselen.
Verder...
Imam Khomeini Teheran, 11 juni 2001 (door Rob)
Met een taxi rijden wij terug naar het Imam Khomeini plein.
Op dit waanzinnig drukke plein in het zuidelijke deel van
Teheran komt zowat alles wat gemotoriseerd is samen: bussen,
taxi's, brommers, scooters, vrachtwagens. Alles rijdt er
dwars door elkaar. De uitlaatgassen zijn bijna niet te harden.
Toch moeten wij in deze chaos de straat oversteken want
de bus naar het mausoleum van ayatollah Khomeini vertrekt
aan de andere zijde van het plein. Oversteken is trouwens
een kwestie van durf, veel durf, tot drie tellen en stapje
voor stapje terrein proberen te winnen. Het gaat ons elke
dag beter af. Verder...
Op naar Iran Tabriz, 6 juni 2001 (door Rob)
Driemaal zijn wij naar de Iraanse ambassade in Den Haag
gegaan voor het benodige visum. De eerste keer om het aanvraagformulier
ingevuld in te leveren, vervolgens om het paspoort in te
leveren en als laatste om het paspoort weer af te halen.
Dat was zeven weken geleden. Vandaag is de dag aangebroken
om daadwerkelijk de grens van Iran over te gaan. Verder...
De
soepjurk en hoofddoek (epiloog) Bam, 29 juni 2001 (door M)
Wanneer wij, na precies drie weken in Iran, een tocht
maken in de bergen van Kerman, hoef ik mij niet te houden
aan de iraanse kledingvoorschriften. Het voelt bijna als
een bevrijding dat ik bij het klimmen geen rekening hoef
te houden met de lange jas en vooral dat ik de wind in mijn
nek, langs mijn oren en door mijn haar kan voelen.
Toch heb ik het zeker niet als een onverdeeld ongenoegen
ervaren. Terugkijkend heeft deze kleding ook zijn positieve
kanten.
Voordelen van het dragen van een hoofddoek:
- Je hoeft nooit te denken 'mijn haar zit niet goed'. Dat
haar zie je namelijk niet.
- Je hoeft minder vaak je haar te wassen. Er komt immers
geen stof in.
- De punten die onder je kin hangen zijn goed te gebruiken
als doekje voor de mond wanneer smog en/of stof teveel wordt.
- Diezelfde uiteinden kunnen ook goed gebruikt worden om
transpiratievocht uit het gezicht weg te vegen.
- Wanneer alleen stinkende toiletten voor handen zijn, schuif
je de knoop van de doek in plaats van onder de kin onder
de neus, en je ruikt niks meer.
Voordelen van de soepjurk:
- Je hoeft nooit te denken 'wat moet ik aan vandaag?'.
- Op iedere stoep ga je zonder erbij na te denken gewoon
zitten. Een vlek meer maakt niet uit, want deze soepjurk
heeft toch maar een levensduur van een paar weken.
Dit zo lezende zou je bijna denken dat ik voortaan als Iraanse
door het leven wil. Maar het tegendeel is waar. Ik ben blij
dat ik mij binnenkort weer naar eigen keuze kan kleden!
De
truc met de chador Kerman, 28 juni 2001 (door P)
In de bazaar van Kerman heeft M een paar stalletjes gezien
waar ze bijzondere ringen verkopen. Om voorbereid te zijn
op een eventuele koop hevelen wij 50.000 rials (ƒ 15,=)
over naar de portemonnee van M.
Na het drinken van drie glazen thee gaan wij voor de tweede
maal de bazaar in. Omdat je al snel wordt herkend groet
iedereen je erg hartelijk. Om de paar seconden klinkt wel:
'hello mister'. Bij het eerste stalletje met ringen ziet
M dat het erg grote maten zijn. Bij het tweede stalletje
is het niet anders. Licht teleurgesteld besluiten wij terug
te gaan naar het hotel waar wij voor 13.00 uur moeten uitchecken.
Dan gebeurt er iets bijzonders.
Twee vrouwen, volledig gehuld in chador, komen wel heel
dicht bij M in de buurt. Ze staan zelfs een beetje tegen
haar aan te duwen. Wij moeten er in eerste instantie allebei
een beetje om lachen, want meestal blijven vrouwen uit onze
buurt. In tweede instantie begint zich een gevoel van argwaan
te ontwikkelen. Als de vrouwen zich langzaam een weg banen
door de bazaar vraag ik M of ze niet toevallig in haar tas
zijn geweest. De rits die M normaliter altijd aan de voorkant
schuift staat inderdaad een klein beetje open. De portemonnee
die meestal, behalve vandaag, onderop lag is pleitte. Zonder
aarzelen lopen wij de richting uit van de vrouwen. Slim
als ze zijn verspreiden ze zich langzaam over de verschillende
kraampjes waar ook andere vrouwen met chador staan. Ik kijk
ze één voor één aan. Ze kijken allemaal met de grootst mogelijke
onschuld terug. Ze dragen stuk voor stuk een grote ouderwetse
bril. Dit maakt het herkennen van de dievegges er niet makkelijker
op.
En dan nog. Stel dat ik er één herken, wat doe ik dan? Haar
vastgrijpen en hard "politie" roepen? Ik vraag mij af wat
er dan zou gebeuren. Onthutst besluiten wij het er maar
bij te laten zitten. Wellicht moest het vandaag wel gebeuren.
De afgelopen vijf weken heeft M nooit meer dan een paar
gulden in haar beurs gehad. Omdat haar portemonnee vrijwel
nooit wordt gebruikt ligt deze meestal helemaal onderin
haar tas. Juist vandaag hebben wij er wat extra geld in
gedaan. Het is maar goed dat wij paspoort, creditcard en
andere waardevolle papieren altijd opbergen in de moneybelt.
Die 15 gulden zullen ons de kop niet kosten. Dat ze maar
goed besteed mogen worden (of zijn)!
We ontmoeten Raed bij de ingang van de bazaar, wanneer
Pok daar opnames maakt van een stel bouwvakkers. Hij legt
ons wel even uit waar de mannen mee bezig zijn. Vervolgens
moeten we met hem mee naar het suikerfabriekje waar hij
tot twee maanden geleden in dienst was. Terwijl daar hard
gewerkt wordt, vertelt hij ons hoe van zakken met 50 kg.
kristalsuiker grote klompen suiker in konische vorm gemaakt
worden. Deze klompen gaan naar o.a. theehuizen waar er
suikerklontjes van gehakt worden.
Wanneer we een trap oplopen, staan we opeens op het dak
van de bazaar. Vanaf het dak, bestaande uit allemaal lemen
koepeltjes, hebben we een aardig uitzicht over de oude
stad.
In sneltreinvaart neemt Raed ons mee langs een aantal
bezienswaardigheden die wij als onbekenden hier nooit
zouden vinden. Zo komen we bij een man die de bovenste
laag van pas geknoopte perzische tapijten afscheert en
bij een kopersmid. Ook gaan we even op bezoek bij zijn
tante, die hij constant 'ant' in plaats van 'aunt' noemt!
Zij
woont in een halfingestort huis in de oude stad. Het lemen
dak is in de loop van de tijd niet meer bestand geweest
tegen regenbuien. Aan de instorting wordt niets gedaan.
Wij vragen ons af hoe lang de rest van het huis nog bewoonbaar
is. Voorlopig hebben haar twee kleine kinderen een fantastische
speelplaats.
Ook nemen we een kijkje bij een man die met een gigantische
molensteen -electrisch aangedreven- henna fijn maalt.
Tot slot drinken we een bij de lokalen bijzonder populair
drankje gemaakt van dunne sliertjes meel in ijskoud suikerwater.
Raed blijft aandringen om bij hem thuis te komen lunchen.
Omdat we nieuwsgierig zijn door zijn achtergrond -Raed
is irakees- stemmen we in.
In zijn onderhemd zit zijn vader met zijn handen de laatste
restjes te eten. Zodra we binnenkomen staat zijn moeder
op om voor ons de lunch te bereiden. Raed, 25 jaar oud
en al ruim 20 jaar in Iran, woont samen met zijn ouders,
vier broers en twee zussen in een appartement net buiten
het centrum van Yazd. Heel
duidelijk is te zien dat dezefamilie het minder breed
heeft.
Wij worden voor de televisie -met illegale schotelantenne-
geparkeerd. Wanneer bij het zappen de iraakse zender verschijnt
met iraakse muziek, kijkt de hele familie geanimeerd naar
het scherm. Even vergeten ze dat er twee gasten zijn.
Drie kwartier later wordt door zijn zusjes opnieuw het
plastic tafelkleed op de vloer uitgespreid. Voor Raed,
zijn broer Ahmed en ons twee worden borden met dampende
rijst, schalen gebakken vis en groenten in het zuur neergezet.
Senior komt bij ons zitten om met een wapperende theedoek
de vele vliegen te verjagen. Tijdens de lunch komen we
steeds meer te weten over de familie.
Aan het begin van de Iran-Irak oorlog, die duurde van
1980 tot 1989, heeft Saddam Hussein besloten iedereen
van iraanse afkomst het land uit te zetten. Aangezien
de grootvader van Raed in Iran is geboren, zijn alle familieleden
die van hem afstammen nu woonachtig in Iran.
In
Iran worden de Irakezen wel getolereerd, maar van integratie
is absoluut geen sprake. Zo zal Raed nooit met een Iraanse
trouwen en voor zijn zusjes zal een irakese man gezocht
worden. Irakezen (en ook andere buitenlanders woonachtig
en werkend in Iran) moeten 33% van hun salaris afstaan
aan de staat. Een huis of een auto kopen is onmogelijk,
behalve wanneer het op naam van een Iraniër wordt gezet.
Wat eigenlijk nog veel erger is, is dat er voor Raed geen
mogelijkheid is om aan een paspoort te komen. Voor de
iraanse overheid is hij een Irakees, en heeft hij geen
recht op een iraans paspoort, maar in Irak wordt hij als
Iraniër beschouwd. Raed zal nooit de grens van Iran over
kunnen en dat geldt ook voor zijn in Iran geboren broertjes
en zusjes. Dat zal zelfs gelden voor zijn eventuele kinderen,
totdat de iraanse overheid verandering brengt in het huidige
beleid. Daar is op korte termijn weinig hoop op.
Vandaag is tot mij doorgedrongen wat het inhoudt om 'staatloos'
te zijn.
Op
bezoek bij de Karimi's Kashan, 13 juni 2001 (door M)
Een italiaans uitziend mannetje wenkt ons met zich mee
te gaan. Uit de stortvloed van woorden herkennen wij chay
en sharbat. Het is overduidelijk: hij wil dat wij wat bij
hem komen drinken. Volgens goed iraans gebruik slaan wij
zijn aanbod tot tweemaal toe af. Wanneer hij blijft aandringen,
weten wij dat het echt gemeend is. Graag gaan wij met hem
mee.
Even daarvoor hebben wij de moskee, waarin de tombe van
Shah Abbas, bezocht. Omdat er een lelijke overkapping op
de binnenplaats is gemaakt, gingen wij op zoek naar een
plekje waarvandaan een fotogenieker plaatje geschoten kon
worden.
Wij lopen door smalle lemen gangetjes totdat wij voor een
ijzeren poort staan. Daarachter ligt het huis: rondom een
binnenplaats zijn een aantal kamers gesitueerd.
Op de binnenplaats zelf staat een megagroot ijzeren bed
waar de familie 's zomers op slaapt. De mooiste kamer wordt
voor ons geopend. Wij zouden het de woonkamer noemen. Twee
gigantische perzische tapijten bedekken de vloer. Een aantal
grote dikke kussens staan hier en daar tegen de muur. Er
is aan de kant van de binnenplaats een groot raam.
De
plafondventilator wordt aangezet en wij worden, nadat wij
onze schoenen hebben uitgedaan, vriendelijk verzocht plaats
te nemen. Onze gastheer, die meneer Karimi heet, loopt nog
wat heen en weer en roept het één en ander (wat wij niet
verstaan) en opeens staat zijn dochter in de kamer met een
dienblad met drie glazen limonadesiroop aangelengd met water.
Dit is meteen onze vuurdoop met iraans leidingwater. Totnogtoe
hebben wij ons beperkt tot mineraalwater uit de fles. Pok
heeft zijn bedenkingen, maar de dorst en beleefdheid overwinnen.
Vervolgens worden allerlei schaaltjes met noten en fruit
voor ons neergezet. Hoewel wij nauwelijks farsi verstaan
is één ding duidelijk: wij MOETEN toetasten.
De dochter, zij heet Zeinab, komt weer binnen, nu met een
telefoon in de hand. De stekker wordt in het stopcontact
geplugd en Pok krijgt de hoorn in zijn handen gedrukt. Het
is een vriendin van Zeinab. Zij is lerares engels en vraagt
wat algemene dingen over ons. Nog geen vijf minuten na dit
gesprek belt Zeinab haar vriendin weer en na wat overleg
is de eer opnieuw aan Pok. Ditmaal worden wij uitgenodigd
voor de lunch. Fahimeh, de vriendin, geeft aan dat zij er
ook bij zal zijn. Dat maakt het voor ons een stuk interessanter,
want met die paar woorden farsi die wij kennen komen wij
niet erg ver.
Fahimeh trekt direct na binnenkomst haar zwarte chador *)
uit en ook de zwarte jas die zij daaronder aan heeft. De
zwarte hoofddoek blijft wel om. Ik zit met veel interesse
naar dit ritueel te kijken. Dat de vrouwen in Iran zich
moeten houden aan de kledingwetten snap ik, maar een chador
wordt niet genoemd in de wet. En in Teheran en Tabriz zag
ik vele vrouwen met alleen een lange jas en gekleurde hoofddoek.
Hier in Kashan echter heeft iedere vrouw buitenshuis ook
een zwarte chador om. En zelfs vele kleine meisjes vanaf
zeven jaar zie je met zo'n lap stof om zich heen gevouwen.
Fahimeh legt uit dat in veel met name kleinere plaatsen
vrouwen verplicht zijn de chador te dragen, omdat ze anders
buiten de gemeenschap vallen. Mogelijk dat zij geen baan
als lerares engels aan een middelbare school zou hebben
als zij zich niet hield aan deze ongeschreven wet. Persoonlijk
hoopt zij zeer zeker dat binnen niet al te lange tijd dit
soort verplichtingen tot het verleden behoren.
(Wanneer later een foto gemaakt wordt, doet Fahimeh gauw
een gekleurde doek om. Met een zwarte hoofddoek op de foto,
dat vindt ze maar niks.)
Zowel Zeinab als Fahimeh, beiden 28 jaar, hebben een uitgesproken
mening over uiteenlopende zaken van zowel binnen Iran als
daarbuiten. Dit is voor ons een fantastische gelegenheid
meer over Iran en haar bevolking te weten te komen.
Met al ons geklets vliegt de tijd voorbij. De zoon des huizes,
een 23-jarige student, komt binnen met net gekocht vers
brood. Naar gebruik moeten wij, de gasten, daar als eersten
een stukje van af breken. Inmiddels kan ook de lunch geserveerd
worden. Mevrouw Karimi heeft al die tijd in de keuken gestaan.
Op de perzische tapijten wordt een tafelkleed uitgespreid.
Wij krijgen allemaal een bordje en vork en lepel. Op het
kleed komt te staan: grote schalen heerlijke rijst, gestoofde
kip met in de saus wat gebakken friet, sla met komkommer,
fantastische aubergine en natuurlijk het brood. Ook zijn
er lekkere aardappelkoekjes waar rijst aan kleeft. Verse
kruiden worden los van de rest zo in de mond gedaan. Meneer
Karimi doet het wel even voor! Verder wordt voor iedereen
een glaasje dugh (yoghurt aangelengd met water) ingeschonken
en ook zijn er schaaltjes met yoghurt waarin kleine stukjes
komkommer. Het is allemaal absoluut heerlijk. Ik zit echt
te genieten, maar meneer Karimi vindt het niet genoeg en
schept nog maar eens voor mij op. In de yoghurt strooit
hij zout. Wanneer Pok vertelt dat wij daar vaak suiker in
doen, trekken zij allemaal een vies gezicht. Yoghurt met
suiker, dat kan echt niet.
Na de lunch worden wij alleen gelaten: wij MOETEN rusten!
Pok valt al snel in slaap en ik probeer in deze tijd een
bedankzinnetje in farsi uit mijn hoofd te leren.
Maar wij mogen nog niet weg. Na de siësta krijgen wij eerst
nog thee en stukken verse meloen. Pas tegen zes uur laten
zij ons gaan.
Wij mogen niets bijdragen.
De volgende dag brengen wij een groot boeket bloemen, door
de plaatselijke bloemist bestrooid met glitters, naar de
kapperszaak van meneer Karimi. En opnieuw wil hij ons meenemen
naar zijn huis. Maar wij moeten verder. De bus naar Esfahan
wacht.
Noot: wij hebben niets overgehouden aan het drinken van
Iraans leidingwater.
*) Een chador is een lange lap stof, meestal zwart, die
vrouwen over hun hoofddoek en jas om zich heen slaan. Zij
moeten hun tent (=letterlijke vertaling van chador) met
twee handen vasthouden. Bijzonder onhandig, want zo kunnen
zij niets anders meedragen (zoals bijvoorbeeld boodschappen
of een kind). Daarom wordt de doek vaak ook tussen de tanden
geklemd.
Via gate 5 komen wij aan bij de perrons van het treinstation
in Teheran. Op spoor 10 staat de trein naar Kashan al gereed,
toch mag nog niemand de trein in. Terwijl M aan de praat
raakt met een paar meisjes maak ik wat video-opnamen van
de trein. Als ik de camera wil opbergen staat er plots een
politie-agent voor mij.
Hij probeert mij duidelijk te maken dat hij mijn paspoort
wil zien. Omdat ik dat niet zie zitten doe ik net alsof
ik het niet begrijp. Ik toon hem ons treinkaartje. Hij schudt
nee en roept: "card, card!", waarop ik hem een stukje papier
laat zien waarop iemand onze namen in Farsi heeft geschreven.
Dan zie ik hem denken dat het allemaal geen zin heeft, hij
wijst op mijn camera en gebaart dat fotograferen is verboden.
Als wij de coupé binnen komen zitten er al twee in het zwart
gehulde vrouwen, moeder en dochter. Taboe doorbrekend neem
ik plaats naast de dochter en M naast mij. De twee stoelen
tegenover ons worden ingenomen door twee mannen. Als de
trein zich, slechts tien minuten later dan gepland, in beweging
zet opent de man tegenover mij zijn attachékoffertje. Hij
haalt een zilveren kettinkje tevoorschijn waaraan een kruisje
bengelt en hangt dit met zorg om zijn nek. Ik sla het gade.
Qua uiterlijk doet hij mij denken aan Bob de Rooy, maar
dan zonder dat vette haar. Zijn rechter oog heeft een rood
vlekje. De twee mannen starten een conversatie met elkaar.
Dan wijst de man tegenover M op de Lonely Planet die op
mijn schoot ligt. Hij spreekt een paar woorden Engels. Zijn
beroep is machinist en hij woont in Kashan.
Bob tegenover mij is zendeling en zijn missiepost is in
Kashan. Tot tweemaal toe vertelt hij dat zijn werk heel
gevaarlijk is. Over een paar jaar gaat hij naar Afghanistan
want "ook daar is Jezus". Hij neemt weer zijn attachékoffer
op schoot en haalt er ditmaal een walkman met ingebouwde
speakers uit. Hij drukt op de play button en houdt het apparaat
aan mijn oor: gezang van zijn "ecclesia". Dan draait hij
het bandje om en krijg ik de latijnse versie van "Stille
Nacht" te horen. Ik knik vriendelijk en hoop stiekem dat
wij snel Kashan binnen rijden. Dan grijpt Bob naar zijn
hals en maakt zijn ketting los. Hij pakt mijn hand en geeft
het kettinkje aan mij. Hoe ik ook probeer dit uitermate
goed bedoelde gebaar af te wenden, Bob wil er niets van
weten. Ik voel mij erg opgelaten, zeker als M discreet achter
de Lonely Planet in de lach schiet. Daar zit ik dan in een
absoluut Moslim-land met een Christelijk kruisje.
Een zucht van verlichting (niet stichtelijk bedoeld!) gaat
door mij heen als wij even later Kashan binnen rijden. Wij
laten onze medepassagiers eerst uitstappen. Op het perron
staat Bob ons te wenken hem te volgen. De machinist heeft
inmiddels zijn Paykan gehaald en staat ons al op te wachten.
Zowel de twee vrouwen als wij krijgen van hem een lift aangeboden.
Wij nemen afscheid van Bob. Zijn laatste woorden zal ik
nooit vergeten: "Jezus is God".
Aan
tafel met een apart gezelschap Teheran, 11 juni 2001 (door M)
Vandaag willen wij eens echt Iraans eten. Dat kan bij
een restaurant in de buurt van ons hotel. Helaas, het is
dicht. De reden die in Farsikrullen op de deur staat, kunnen
wij (nog) niet ontcijferen. Omdat er behalve snackbarvoedsel
in deze buurt niets te krijgen is en wij geen zin hebben
weer een eind te lopen, gaan wij maar eens kijken wat ons
eigen hotel te bieden heeft. En wellicht ontmoeten wij dan
nog wat andere reizigers met wie wij ervaringen kunnen uitwisselen.
Hier in Teheran zitten wij in een echt budgethotel (Hotel
Mashad). De kamer meet nauwelijks 2x3 meter. Er passen twee
eenpersoonsbedden in en dan kan de deur nog net open. Toiletten
en douche zijn op de gang. Op het dak van het hotel is een
hokje gefabriceerd waar een keukentje en twee tafels in
passen. Er is ook een terras bestaande uit twee afgedankte
bedden met wat oude dekens. Uitzicht: andere daken met alleen
maar troep. De keuken biedt vandaag niet veel keus: in de
koeling staat een vreemd vleesmengsel dat opgebakken wordt
en omelet met tomaat. Alles wordt in campingpannetjes opgediend.
Wij bestellen van beiden een portie. In afwachting gaan
wij op het dak zitten met een glaasje thee. Op het ene bed
zitten drie Iraniërs te genieten van het opgebakken vlees.
Wij worden uitgenodigd aan te schuiven maar bedanken voor de eer.
Al snel komt Amir bij ons zitten. Amir, een 18-jarige jongen
uit Afghanistan, is bijzonder geïnteresseerd in alles wat
met Nederland te maken heeft. Hij heeft een ticket waarmee
hij over precies een week naar Schiphol zal vliegen. Een
oudere broer van hem, die al vijf jaar in Amsterdam woont,
heeft een visum voor hem weten te regelen. Doel van de reis
is geen kort familiebezoek maar permanent verblijf. Wij
vragen hem wat hij verwacht van Nederland. Het enige wat
hij daarop weet uit te brengen is: "I'll be happy!". Vanzelfsprekend
probeer ik hem een beetje voor te bereiden op wat hem te
wachten staat, maar hij is niet onder de indruk. Het leren
van wat Nederlandse woorden stelt hij wel op prijs. In zijn
schriftje staat al: "Marco Borsato, Anouk, Beatrix en Kok"!
Als wij bijna klaar zijn met eten, schuift een andere hotelgast
bij ons aan tafel. Hij is straatverkoper - zonder vergunning
- van muziekcassettes. Met drukke gebaren vertelt hij hoe
zwaar zijn leven is, met name wanneer hij de politie moet
afkopen. Even later krijgen wij ook nog gezelschap van twee
keurig geklede Pakistani. Wanneer wij ook hun aanbod om
mee te eten afslaan staan zij erop dat wij tenminste een
glaasje thee meedrinken. Hoewel het een gezellig geheel
is vertrekken zij direct na de maaltijd. Amir vertelt ons
dan dat de heren mensensmokkelaars zijn....
Wij hoopten medereizigers te ontmoeten, maar dat wij aan
tafel zouden zitten met een straatverkoper, een toekomstig
asielzoeker en twee mensensmokkelaars, nee, dat hadden wij
niet kunnen bedenken. Ik weet nu wel waarom de Pakistani
zo graag wilden weten wanneer Turkije lid wordt van de Europese
Gemeenschap!
Met een taxi rijden wij terug naar het Imam Khomeini
plein. Op dit waanzinnig drukke plein in het zuidelijke
deel van Teheran komt zowat alles wat gemotoriseerd is samen:
bussen, taxi's, brommers, scooters, vrachtwagens. Alles
rijdt er dwars door elkaar. De uitlaatgassen zijn bijna
niet te harden. Toch moeten wij in deze chaos de straat
oversteken want de bus naar het mausoleum van ayatollah
Khomeini vertrekt aan de andere zijde van het plein. Oversteken
is trouwens een kwestie van durf, veel durf, tot drie tellen
en stapje voor stapje terrein proberen te winnen. Het gaat
ons elke dag beter af.
Bij een klein stalletje koop ik acht biljetjes voor nog
geen kwartje. In het hotel hadden wij gezien dat bus 139
naar het mausoleum gaat. De inzittenden van bus 149 verzekeren
ons dat ook deze bus naar het mausoleum zal gaan, waarop
wij instappen. Ik voor en M achter. Ja, apartheid in Zuid-Afrika
is alweer enige tijd geleden afgeschaft, hier bestaat het
nog in zekere zin! De mannenafdeling voor in de bus wordt
met hekken afgescheiden van de vrouwenvleugel. Het kan dus
voorkomen dat er voor in de bus nog zitplaatsen zijn terwijl
er achter in de bus moet worden gestaan.
Eigenlijk zouden wij vandaag het museum van moderne kunst
bezoeken, ware het niet dat dit museum voor de tweede achtereenvolgende
dag gesloten is. Gisteren vanwege een nationale feestdag
(geboortedag van Mohammed), waarvan er overigens tallozen
zijn in Iran en vandaag wordt de laatste hand gelegd aan
de tijdelijke expositie van Armeense kunst. Morgen nog maar
eens proberen.
De bewolking heeft langzaam aan de smog boven Teheran verdrongen.
Net als wij bij het mausoleum aankomen begint het zacht
te regenen. Op
zich best prettig, ook de temperatuur is nu ietsje gedaald.
Het valt ons op dat twaalf jaar na het overlijden van de
ayatollah (4 juni 1989) het mausoleum nog steeds niet af
is. Toch is er op deze werkdag geen bouwvakker te bekennen.
Zal het ooit afkomen? Bij het naderen van de ingang passeren
wij talloze Iraniërs onder een met stalen buizen en golfplaten
gecreëerde overdekking. Er is een aparte ingang voor mannen
en vrouwen. Na het uittrekken van onze schoenen betreden
wij het mausoleum. De ruimte doet aan als een grote hal.
De auteur van de Lonely Planet omschreef deze ruimte niet
geheel ten onrechte als een schaatsbaan zonder ijs. Een
van de mooiere elementen is wellicht de marmeren vloer,
maar die is dan weer grotendeels bedekt met perzische tapijten.
Overal hangen slierten met gekleurde lampen die niet zouden
misstaan op een doorsnee tuinfeest.
Als ook M de ruimte binnenkomt lopen wij naar het groenverlichte
glazen kamertje links van het midden. Hier staat de graftombe
van de ayatollah. Aan alle zijden staan mensen apathisch
naar de sobere tombe te kijken. Op
de vloer aan de binnenzijde liggen ontelbare bankbiljetten
op een hoop. Om het geheel beter in ons op te kunnen nemen,
gaan wij zomaar ergens op het tapijt zitten. Ook hier zijn
weer talloze groepjes aan het picknicken. Hier en daar liggen
mannen languit een tukkie te doen. Kinderen spelen erop
los. Conform de laatste wil van de ayatollah is het mausoleum
meer een recreatieruimte geworden dan een moskee. Ook wat
dit betreft heeft ayatollah Khomeini zijn zin gekregen.
Driemaal zijn wij naar de Iraanse ambassade in Den Haag
gegaan voor het benodige visum. De eerste keer om het aanvraagformulier
ingevuld in te leveren, vervolgens om het paspoort in te
leveren en als laatste om het paspoort weer af te halen.
Dat was zeven weken geleden. Vandaag is de dag aangebroken
om daadwerkelijk de grens van Iran over te gaan.
In alle vroegte togen wij met onze rugzakken naar de plek
waar de dolmus vanuit Dogubeyazit naar de grens met Iran
vertrekken. Het busje vult zich snel met louter mannen.
Gedurende de rit van een half uur blijft de besneeuwde top
van de berg Ararat prominent in beeld. Het busje passeert
een lange stoet wachtende vrachtwagens. Op het punt waar
de bus niet verder kan worden wij gesommeerd uit te stappen.
Het is voor ons nog niet helemaal duidelijk waar wij naar
toe moeten. Een wachtende trucker ziet onze vragende blik
en wijst ons de richting. Wij bevinden ons nog steeds op
een waanzinnig grote parkeerplaats. In geen velden of wegen
is een grenspost te bekennen.
Na een wandeling van zo'n 10 minuten komen wij bij wat gebouwtjes
aan. Ook zien wij de ons inmiddels bekende vlag van Iran
wapperen. Voor M is hier het moment aangebroken om zich
te verbergen achter de lange blauwe jas en hoofddoek, die
zij bovenin de rugzak standby heeft gehouden. Ik help M
de rugzak omhangen en schiet vreselijk in de lach. M, gehuld
in een stijve lange blauwe jas, met hoofddoek en een rugzak
om....! Een geüniformeerde man gebaard ons naar binnen te
gaan. Wij zijn nog steeds op Turks grondgebied. Binnen volgen
wij het ijzeren hekje tot bij het loket. De beambte neemt
onze paspoorten in en zet een grote stempel bij het visum
dat er in Antalya is ingeplakt. Na het intypen van wat gegevens
in zijn computer krijgen wij onze paspoorten terug. Niet
ver van het loket is een deur waar wij doorheen moeten.
De deur leidt naar een grote ruimte vol wachtende mensen.
Langs de muren zitten op koude stenen bankjes van top tot
teen gesluierde vrouwen. De meesten in effen zwart, een
enkeling in het zwart met speelse grijze stippen. De ruimte
zelf ademt een sfeer van vergane glorie. Daar waar het plafond
niet bladdert zijn drie pasteltinten waar te nemen. De marmeren
zuil in het midden heeft zijn beste tijd lang geleden gehad.
De verlichting bestaat uit een ronde TL en een kale grote
peer. Twee ventilators hangen werkloos aan het plafond.
De schakelaars lijken elk moment van de muur te vallen.
Twee mannen zijn hun jassen, broeken en truien aan het volproppen
met pakjes sigaretten die zij goedkoop in Iran hebben gekocht
en waarschijnlijk met een kleine winst in Turkije kunnen
verkopen. Onder het bescheiden portret van Khomeini is een
stalen deur waarvoor een groepje mannen staat te wachten.
Ik sluit mij bij hen aan. Er gebeurt weinig. Door het kleine
niet geblindeerde ruitje zie ik af en toe een militair in
een kaki uniform. Na een half uur gaat de deur open en springt
iedereen op. De geüniformeerde man deelt een stapel paspoorten
uit. Opgelucht pakken deze mensen hun spullen en verdwijnen
door de deur. Ik begrijp hieruit dat wij eerst onze paspoorten
moeten afgeven aan deze man. Zo gezegd, zo gedaan. Met onze
paspoorten in de hand sluit de man de poort. Een half uur
later wordt de deur weer geopend. Ik herken de rode kleur
van onze paspoorten in zijn hand. Als hij mij wenkt verder
te komen pakken wij onze rugzakken. De wachtende menigte
voor de deur splitst zich in tweeën, zodat er een gang van
ruimte voor ons ontstaat. Wij krijgen onze paspoorten terug
waarin een exit formulier is gelegd. Althans, dat maken
wij ervan want het woord "exit" is het enige woord dat niet
in Farsi is geschreven.
Via een kleine binnenplaats komen wij aan bij de Iraanse
douane. Hier ziet het er allemaal een stuk beter uit. Voor
wij het weten staan wij buiten. Geen verdere formaliteiten
en geen bagagecontrole. Voor de zekerheid vraag ik nog of
het visum vanaf vandaag dertig dagen geldig is. De dame
achter de balie knikt instemmend. Dit betekent dat wij helemaal
geen verlenging hoeven aan te vragen, zoals wij oorspronkelijk
dachten!
Buiten worden wij aangesproken door een jongeman van een
jaar of 25. Hij wil geld wisselen maar biedt een slechte
koers, nl. 7.000 Rial voor een dollar terwijl de gangbare
koers 8.000 Rial is. Ook de taxirit naar Tabriz wil hij
wel regelen voor 150.000 Rial. Wij willen slechts 100.000
betalen. Dit spel gaat zo een tijdje door totdat hij uiteindelijk
ingaat op ons bod. Wij worden gemaand plaats te nemen in
een goudbruine Buick. Bij het minste of geringste toetert
onze chauffeur. Dit gaat zo een tijdje door tot de toeter
aan één stuk door een hees geluid blijft produceren. Onze
bestuurder zet zijn sloep aan de kant en trekt de moterkap
open. Hij rommelt aan wat kabeltjes tot de toeter er abrupt
mee stopt. Ter voorbereiding op de lange rit slaat hij bij
een winkeltje nog wat sigaretten in. Ook wordt de tank nog
even volgegooid. Helaas konden wij niet zien hoeveel moest
worden afgerekend maar dat kan nooit veel zijn geweest.
Wij menen een bedrag van vijf cent per liter te hebben opgevangen!
De berg Ararat verdwijnt langzaam uit ons zicht. Het eerste
stuk van de rit hebben wij een mooi uitzicht over de bergen.
Dan begint het wat eentoniger te worden. De thermometer
die wij standaard bij ons hebben geeft een temperatuur aan
van 35 graden. Na ruim een uur rijden vraagt onze chauffeur
of wij thee willen. Aangezien mijn benen wel even gestrekt
mogen worden zeg ik ja. Wij komen aan bij een soort van
wegrestaurant. De chauffeur regelt een potje thee. Bij elke
slok neemt hij een suikerklontje tussen zijn bruine tanden.
Dit ritueel wordt verstoord door de jongens van het restaurant
die hem iets toeroepen. Hij springt op en loopt snel naar
buiten. Van onder de moterkap begint zich een rookpluim
te ontwikkelen. Hij opent de klep en giet met een bekertje
water over de ventilator die zich dit luid sissend laat
welgevallen. Een minuut of vijftien later vertrekken wij
weer.
Vlak voor Tabriz stoppen wij bij een klein winkeltje. De
chauffeur zegt dat dit vrienden van hem zijn die geld wisselen
tegen een goede koers. Aangezien wij toch nog een tijdje
in Iran zullen zijn besluiten wij hierop in te gaan. Onze
chauffeur wordt vriendelijk begroet en ook ik krijg een
ferme handdruk en.... een snoepje. Dan stapt er nog een
man de winkel binnen met een flink pakket bankbiljetten.
Het grootste biljet in Iran heeft een waarde van 10.000
rial, omgerekend f3,30. Het wisselen van 100 dollar levert
dus een pakket biljetten op met de dikte van een kaartspel!
Met de zakken vol papier laten wij ons afzetten bij hotel
Morvarid. Ik haal het pakket papier weer uit mijn zak en
geef de chauffeur de afgesproken 100.000 rial plus een flinke
fooi. Drie honderd kilometer in een taxi voor 33 gulden,
waar krijg je dat nog tegenwoordig?