Chinezen
onaardig?! Chengdu, 29 september 2001 (door M)
Voordat wij in China aankwamen, hoorden wij van alle kanten
verhalen dat Chinezen zo onaardig zijn. Zo erg, dat we ons
zelfs wel eens afvroegen warom wij plannen hadden om naar
China te gaan. En bij iedere hulpvaardige geste van een Pakistaan
wezen we elkaar erop dat we nu nog maar even van die vriendelijkheid
moesten genieten. Verder...
Hotpotten
in Chengdu Chengdu, 27 september 2001 (door M)
Wanneer we op het afgesproken tijdstip in de hotellobby verschijnen,
melden Daan en Mascha, een stel uit Noord-Holland, dat zij
een Chinese man ontmoet hebben. Hij wil graag zijn Engels
oefenen en daarom gaan we met hem mee uit eten.Verder...
Mannen,
te paard! Songpan, 23 september 2001 (door Rob)
Als we ons om 08.30 uur melden bij Shun Jiang Horse Treks
zien we dat de paarden al klaar staan. Het had niet veel gescheeld
of we hadden afgehaakt. De hele nacht en vroege ochtend heeft
het flink geregend. En in zulk weer drie dagen op een paard
te zitten leek ons geen pretje. Verder...
Een
kijkje in een Buddhistisch klooster Xiahe, 18 september 2001 (door Rob)
Het is nog pikdonker als wij vanuit het hotel om 05.45 uur
naar het Labrang klooster lopen. Wij horen een onheilspellend
geluid dat doet denken aan een huilende wolf. Om de paar minuten
herhaalt zich dit. We weten niet waar het vandaan komt.
Verder...
Op
weg naar Kashgar Kashgar, 5 september 2001 (door M)
Wanneer we bijna op het hoogste punt (4800 meter) van de Khunjerabpas
zijn -de grensovergang tussen Pakistan en China- begint het
te sneeuwen. En dat op 3 september! De Chinese militair,die
in de bus de paspoorten controleert, brengt veel kou mee naar
binnen. Ik duik nog wat dieper in mijn fleecetrui. De meeste
Pakistani in de bus hadden duidelijk niet op deze kou gerekend
en hebben alleen een katoenen shalwar qamiz aan.
Verder...
Chinezen
onaardig?! Chengdu, 29 september 2001 (door M)
Voordat wij in China aankwamen, hoorden wij van alle kanten
verhalen dat Chinezen zo onaardig zijn. Zo erg, dat we ons zelfs
wel eens afvroegen warom wij plannen hadden om naar China te
gaan. En bij iedere hulpvaardige geste van een Pakistaan wezen
we elkaar erop dat we nu nog maar even van die vriendelijkheid
moesten genieten.
Na 4.690 kilometer afgelegd te hebben in 4 weken en daarin vele
Chinezen ontmoet en meegemaakt te hebben, willen wij vooral
een zin hardop verkondigen: Chinezen zijn wél aardig.
Natuurlijk kwamen wij wel eens een chagrijnig exemplaar tegen,
maar ook hier is het 1x per week maandagochtend. En echte onvriendelijkheid
is vaak te herleiden tot elkaar niet begrijpen. De doorsnee
Chinees spreekt geen woord Engels en de doorsnee toerist kent
de Chinese taal niet. Chinezen zijn vaak in eerste instantie
wat kat-uit-de-boom-kijkerig, maar wanneer wij ze begroetten
met 'ni hao', kregen we altijd een grote glimlach en een groet
terug. Om de vriendelijkheid van dee Chinezen te onderstrepen
volgen onderstaand enkele voorbeelden. Het hadden er zelfs veel
meer kunnen zijn. Tijdens
onze eerste treinreis delen wij de slaapcoupé met vier Chinezen,
die geen van allen een woord Engels spreken. Na wat vriendelijk
knikken stokt de communicatie dan ook. In de restauratiewagon
ziet één van hen hoe wij met moeite twee groenteschotels bestellen.
'Rijst' en 'ik wil geen vlees' is tot dan toe het enige Chinese
culinaire vocabulaire waar wij over beschikken.
Terug in de coupé pakt de jongen pen en papier, tekent een aubergine
en zet er de Chinese karakters bij. Zijn initiatief wordt meteen
opgepakt en binnen de kortste keren hebben we een handig woordenboekje,
met fonetisch de uitspraak, waar we nog 3,5 week met veel plezier
bestellingen mee plaatsen.
In Turpan laten we ons door een taxi naar het busstation brengen.
De taxichauffeur zet ons pas af, nadat hij geverifieerd heeft
vanaf welke plek de bus zal vertrekken. Wanneer hij ons verzekerd
heeft dat er pas over een uur een bus zal gaan en ons gewezen
heeft waar kaartjes gekocht kunnen worden, mogen we uitstappen.
Terwijl we op de betreffende plek rustig zitten te wachten,
komt diverse keren personeel ons vertellen dat we juist zitten.
In Hami zijn we samen met een stel uit Hongkong op zoek naar
een hotel. Bij inschrijving blijkt dat het uitgekozen hotel
geen buitenlanders-vergunning heeft. Het hotel mag ons door
de Chinese regelgeving niet accepteren. Het Hongkongstel twijfelt
geen moment en schrijft ons in onder hun naam, zodat wij niet
opnieuw de straat op hoeven.
Omdat wij ons visum willen verlengen, gaan we in Dunhuang op
zoek naar de PSB (= Public Security Bureau). We weten dat we
in de juiste straat zijn, maar kunnen het gebouw maar niet vinden.
Uiteindelijk vragen we het aan een voorbijganger door te wijzen
op de Chinese karakters in de Lonely Planet. Ondanks dat het
gebouw ligt in de richting waar hij vandaan komt, begeleidt
hij ons helemaal tot aan het PSB-kantoor.
Bij een internetcafé in Songpan komen we een bijzonder hulpvaardige
beheerder tegen. Voor het overzetten van foto's van onze digitale
camera moet er wat software geïnstalleerd worden. Om ons onduidelijke
redenen lukt dat niet en de PC loopt zelfs vast. De beheerder
neemt er geen genoegen mee en is zeker drie kwartier naar de
oorzaak aan het zoeken. Gelukkig voor ons heeft zijn vasthoudendheid
resultaat. De tijd dat hij speciaal voor ons is bezig geweest,
wordt ons niet eens in rekening gebracht.
Hotpotten
in Chengdu Chengdu, 27 september 2001 (door M)
Wanneer we op het afgesproken tijdstip in de hotellobby verschijnen,
melden Daan en Mascha, een stel uit Noord-Holland, dat zij een
Chinese man ontmoet hebben. Hij wil graag zijn Engels oefenen
en daarom gaan we met hem mee uit eten.
Als makke schapen lopen we achter de leraar Engels aan, die
ons in hoog tempo door een wirwar van straten leidt. Bij een
groezelig aandoend restaurantje stopt hij en gaat ons voor.
Het tentje staat vol kleine vierkante tafeltjes met in het midden
een gat waarin een grote pot kokende olie is geplaatst. Ook
voor ons staat een tafel klaar. We nemen plaats op de plastic
krukjes. Zhang legt uit dat hij speciaal voor ons de olie niet
te Sichuans (= erg pikant) heeft laten kruiden. Dan loopt hij
weg om terug te komen met een mand vol stokjes waaraan diverse
groenten en ook stukjes vlees zijn geregen. We hebben inmiddels
allemaal een schoteltje met pittige saus voor ons neus. Zhang
plaatst enkele stokjes in de hete olie. Wanneer hij vindt dat
de inhoud gaar is, geeft hij ons iedere keer één stokje. De
groente of vlees moeten we met onze eetstokjes in de pittige
saus duwen. Het smaakt heerlijk. Net zoals de Chinezen gooien
we de stokjes op de grond.
Als we al een kwartiertje aan het snoepen zijn, worden er twee
schaaltjes met glibberige inhoud op de tafel gezet. Op het ene
schaaltje beweegt zelfs nog een deel van het vlees..... Allevier
zijn we even argwanend en kijken Zhang vragend aan. De structuur
van het vlees lijkt wel op die van kip, maar daar zitten toch
nooit van die blauwe adertjes in? Uiteindelijk doorbreekt Zhang
de spanning door te melden dat het kikker is. Vers geslacht.
En het is het hart dat nog bewegingen maakt!
Na een paar hapjes kikker is wel duidelijk dat het beest, nadat
het vel verwijderd was, meedogenloos in stukken is gehakt. Naast
het zachte, supermalse vlees krijg ik ook ondefinieerbare dingetjes
in mijn mond. Zo nonchalant mogelijk laat ik die hapjes op de
grond vallen. Als
klap op de vuurpijl krijgen we het vel aangeboden, een ware
delicatesse, althans voor Chinezen. Zhang vindt het dan ook
helemaal niet erg als wij voor de eer bedanken. Aan het vel
is duidelijk af te leiden dat het een kikker betrof, met name
door de vinachtige poten.
Om de rekening op te kunnen maken moet de ober eerst over de
grond dweilen. Wanneer hij alle stokjes bij elkaar geraapt heeft,
en diverse stukjes kikker aan de kant heeft moeten schuiven,
kan het tellen beginnen. De hoeveelheid afgenomen stokjes bepalen
de prijs. We komen er genadeloos van af. Het was een gezellige
avond met lekker eten, maar helaas knorren sommige magen nog.....
Mannen,
te paard! Songpan, 23 september 2001 (door Rob)
Als we ons om 08.30 uur melden bij Shun Jiang Horse Treks
zien we dat de paarden al klaar staan. Het had niet veel gescheeld
of we hadden afgehaakt. De hele nacht en vroege ochtend heeft
het flink geregend. En in zulk weer drie dagen op een paard
te zitten leek ons geen pretje.
Songpan is een vriendelijk dorpje. Karakteristiek zijn de houten
huizen en stadspoorten. Goed beschouwd ligt het hele dorpje
aan één lange weg. Ook hier lopen de vrouwen weer in typische
Tibetaanse klederdracht, lange donkere jassen waarvan één mouw
vaak om het middel is geknoopt. Op hun hoofd ligt een felgekleurde
gebreide lap. De straten zijn gevuld met fietsriksja's. Hun
fietsbel hebben ze op ingenieuze wijze gekoppeld aan het voorwiel.
Het kost dus geen enkele moeite om er gebruik van te maken,
wat goed te merken is.
De meeste toeristen in Songpan komen hier voor het maken van
een meerdaagse trekking per paard. Nog voordat je de bus uit
bent word je al aangesproken door vertegenwoordigers van de
twee bedrijven die dergelijke trekkings organiseren. Beiden
hebben kleine schriftjes bij zich waarin ervaringen staan van
andere reizigers die zo'n tocht bij hen gemaakt hebben. Uiteraard
maakt hun bedrijf de beste trekkings en is het concurrerende
bedrijf maar niets. Van Brian, een Australische man van 52 die
wij in Pakistan hebben ontmoet, hadden we goede verhalen gehoord
over Shun Jiang Horse Treks. De keuze was dus snel gemaakt.
Nadat onze dagrugzakken op de paarden zijn gebonden, zijn wij
klaar voor vertrek. Aan de rand van het dorp hijsen we ons op
de paarden. Dit valt niet mee want de zadels zijn volledig bedekt
met bagage. Het eerste deel van de tocht gaat vooral steil bergop.
Terwijl wij flink voorover leunen sjokken de paarden omhoog.
Het is goed te merken dat ze de route al eerder hebben afgelegd.
Een zorg minder voor ons als onervaren ruiters!
Als we op het hoogste punt aankomen, begint het weer te regenen.
M krijgt een grote poncho van de gids, ik moet het doen met
mijn eigen regenjas. Wel staat de gids erop dat ik mijn inmiddels
drijfnatte petje inruil voor zijn hoed. Ik voel me nu net John
Wayne!
Was het bergop gaan al een aanslag op de spieren, bergaf valt
helemaal niet mee. Achterover leunend met gestrekte benen is
erg vermoeiend, weten wij nu uit ervaring. De regen zorgt er
ook nog eens voor dat de paarden hier en daar uitglijden wat
uiteraard erg bevorderlijk is voor het adrenalinegehalte! Doorweekt,
ik dan met name, rijden we een klein gehucht binnen. De gids
maakt duidelijk dat we hier even stoppen om thee te drinken.
Erwtensoep had van mij ook gemogen! Na een half uurtje stappen
we weer op de paarden. Gelukkig is de regen zo goed als gestopt.
Twee uur later komen we aan op de plek waar wij de nacht zullen
doorbrengen. De gids verlost de paarden van hun last en maakt
een houtvuurtje waar hij een grote zwartgeblakerde ketel water
op zet. Dan begint hij de tent op te zetten. Wij willen wel
helpen maar weten niet goed hoe. Binnen een half uur zitten
we gedrieën aan de lunch: pittig gekruide komkommer, brood en
heet water. Niet veel later voegen zich twee Taiwanese meisjes
met hun twee gidsen bij ons. Gelukkig hebben zij de thee bij
zich wat vooral M erg doet opleven. Als ook zij hun lunch op
hebben gaan we met één gids te voet naar de waterval. Het
is flink klimmen. We kunnen goed merken dat we op grotere hoogte
zijn. Mijn tong hangt zowat op mijn schoenen! Als we terug zijn
bij de tenten zien we dat de overige gidsen hout hebben gesprokkeld.
Daarbij heeft onze gids ook nog eens een grote hoeveelheid paddestoelen
geplukt. Het is een lust voor het oog om te zien hoe de mannen
met primitieve middelen koken. Op het moment dat we kunnen eten
begint het te donderen en te regenen. Met z'n allen kruipen
we onder het dekzeiltje dat boven het vuur is gespannen. De
warmte van het vuur is erg behaaglijk, jammer alleen dat er
af en toe een dikke rookwolk onze kant op komt. Het menu bestaat
uit rijst, kool, courgette, boontjes en natuurlijk de paddestoelen.
Wat doe je dan als het koud en donker is en ook nog eens regent?
Precies! Je zoekt je bedje op, ook al is het pas 20.30 uur!
De dekens en slaapzakken had onze gids op dennentakjes gelegd
waardoor het op zich best comfortabel is. Als ook M haar plaats
gevonden heeft legt de gids nog een zeiltje over ons heen. Ik
kan niet meteen in slaap vallen. Af en toe valt er een druppeltje
regen op mijn gezicht. Mijn legergroene dienstcol, die ik als
een muts over mijn hoofd trek, komt nu goed van pas.
De hele nacht heeft het flink geregend. De
beslissing om vandaag al terug te gaan naar Songpan is dan ook
snel genomen. Ook de gids vindt dit een wijs besluit. Het ontbijt
wordt door de gids bij ons in de tent gebracht: thee, zelf gebakken
brood en pittig gebakken kool. Terwijl wij ons hieraan te goed
doen worden de paarden bij elkaar gedreven. Voor vertrek krijgen
zij nog wat krachtvoer. Dan worden zij weer opgezadeld met alle
bagage. Omdat de smalle paden superglad zijn moeten we grote
stukken lopen. Echt erg vind ik dat niet, want al na het eerste
uur paardrijden voel ik spieren waarvan ik niet wist dat ik
ze had.
Een
kijkje in een Buddhistisch klooster Xiahe, 18 september 2001 (door Rob)
Het is nog pikdonker als wij vanuit het hotel om 05.45 uur
naar het Labrang klooster lopen. Wij horen een onheilspellend
geluid dat doet denken aan een huilende wolf. Om de paar minuten
herhaalt zich dit. We weten niet waar het vandaan komt
Wij bevinden ons momenteel in Xiahe in de provincie Gansu. Tot
de eerste helft van de vorige eeuw behoorde dit gebied tot Oost-Tibet,
wat nu nog steeds goed is te merken. Op straat zien we vooral
Tibetanen en monnikken. Zowel deTibetaanse mannen als vrouwen
zijn gehuld in donkere ruime jassen waarvan de mouwen veel te
lang zijn. De jassen worden om hun middel gesnoerd met een felgekleurde
band. De randen van de jassen van de vrouwen zijn afgezet met
een kleurige gestreepte stof. De zwarte haren dragen zij in
lange vlechten. De mannen hebben laarzen aan hun voeten en op
hun hoofd een ronde cowboyhoed. Erg indrukwekkend vind ik de
prachtig versierde messen die ze aan een brede band om hun middel
dragen. Behalve Tibetanen wonen in Xiahe Han Chinezen en Hui
moslims. Deze laatste groep is te herkennen aan de witte (koks)mutsen.
De monnikken dragen allemaal bordeauxrode jurken, met om hun
schouders een dunne donkerroze doek gedrapeerd. Sommigen lopen
toch met blote armen. De kou schijnt hen niet te deren. Naar
verluid wonen thans 1200 monnikken in het klooster dat veel
te lijden heeft gehad tijdens de Culturele Revolutie. Voor de
Revolutie woonden hier zo'n 4000 monnikken.
Als we de binnenplaats van de grote tempel van het klooster
betreden zien we op het dak de schim van een monnik. Nu horen
we dat de angstaanjagende wolfsgeluiden van hem afkomen. Een
groot aantal monnikken loopt prevelend rondjes om de tempel.
Dit gaat zo een tijdje door. Eén
van de monnikken stopt met rondjes lopen en gaat tegenover ons
op de trap zitten. Hij verheft zijn stem en begint hardop te
bidden. Er voegen zich nog twee monnikken bij hem die ieder
voor zich ook hardop gaan bidden. Juist omdat het nog zo donker
is zijn de stemmen erg indrukwekkend. De rillingen lopen over
onze rug.
Op de binnenplaats van de tempel staat een witte schouw waarin
een klein vuurtje brandt. Zowel monnikken als Tibetanen offeren
hier cedertakken en voedsel, met uitzondering van vlees.
Dan klinkt vanaf het dak hoorngeschal. Dit is voor de monnikken
het teken om de tempel te betreden. De zwarte laarzen, gemaakt
van dierenhuiden, worden buiten achter gelaten. Wij turen naar
binnen en zien dat de monnikken tegenover elkaar plaats nemen
op lage bankjes. Als ze allemaal hun plek hebben gevonden wagen
we ons dichterbij. Wij voelen ons een beetje voyeur in een wereld
die niet zo makkelijk is te bevatten. Een van de monnikken die
gehuld is in een indrukwekkende brede cape komt naar ons toe
en wenkt ons binnen te komen. Aarzelend geven wij hieraan gehoor.
In de amper verlichte tempel zien we dat de monnikken zijn verdeeld
over dertien verticale rijen. Aan weerszijde van elke rij zitten
zij tegenover elkaar. De kaarsen, gemaakt van yakboter, zorgen
voor een typische indringende geur. De 140 houten pilaren zijn
beschilderd in prachtige kleuren. De wanden zijn voorzien van
1000 Buddha-afbeeldingen. Overal hangen lappen stof in alle
kleuren.
De monnik met de cape loopt als enige langs de biddende monnikken.
Later begrijpen wij dat hij de gebedsleider is. Na tien minuten
besluiten wij de tempel te verlaten in de wetenschap dat we
later op de dag nog een rondleiding zullen krijgen.
Op
weg naar Kashgar Kashgar, 5 september 2001 (door M)
Wanneer we bijna op het hoogste punt (4800 meter) van de
Khunjerabpas zijn -de grensovergang tussen Pakistan en China-
begint het te sneeuwen. En dat op 3 september! De Chinese militair,die
in de bus de paspoorten controleert, brengt veel kou mee naar
binnen. Ik duik nog wat dieper in mijn fleecetrui. De meeste
Pakistani in de bus hadden duidelijk niet op deze kou gerekend
en hebben alleen een katoenen shalwar qamiz aan.
De bus brengt ons tot Tashkurgan, een dorpje zo'n 140 kilometer
over de grens waar de douaneformaliteiten worden afgehandeld.
De volgende ochtend blijkt dat wij door verkeerde informatie
de bus naar Kashgar hebben gemist. Er zit niets anders op dan
een dag in dit gat rond te hangen!
Tashkurgan is een dorp gelgen op 3600 meter dat zijn bestaansrecht
voornamelijk ontleent aan de vele handelaren en toeristen die
genoodzaakt zijn hier te overnachten. Aan de paar straten staan
dan ook vele hotels en restaurantjes. In dit deel van China
wonen vooral Tadjieken, één van de 55 erkende ethnische minderheden
in China. Door de Chinezen worden ze het volk van de wolken
genoemd, omdat ze op grote hoogte leven.
Als we het dorp inlopen, worden we verrast door de kleding van
de Tadjiekse vrouwen. Allemaal
dragen ze jaren '60-jurken in de meest felle kleuren. Velen
hebben een dophoedje op het hoofd, die met een doek op zijn
plaats gehouden wordt. Ze hebben hele andere ideeën over welke
kleuren bij elkaar passen. Feloranje wordt gerust gecombineerd
met zuurstokroze en rood! De meeste vrouwen hebben een dikke
panty over een voetloze maillot aangetrokken. Zonder uitzondering
hebben ze lang donker haar in een staart of vlecht.
Alle schoolkinderen gaan gekleed in uniform: een witgroen joggingpak
met een opdruk van de naam van de school.
We brengen de dag door genietend van het straatleven en de Chinese
keuken.
's Avonds worden we benaderd door een buschauffeur die zojuist
een groep toeristen heeft afgeleverd in Tashkurgan. De volgende
dag zal hij de lege bus terug moeten rijden naar Kashgar en
voor een leuk prijsje kunnen wij met hem mee. Eerst zijn we
wat argwanend. Hoe betrouwbaar is deze man? Klopt het wel wat
hij zegt? Hoewel we het uiteindelijk toch leuk hebben gehad
in dit dorp, willen we niet het risico lopen hier nog een dag
te moeten spenderen. Wanneer de chauffeur aangeeft om 07.00
uur te willen vertrekken, gaan we akkoord. Mocht hij niet komen
opdagen, dan kunnen we altijd de reguliere bus van 07.30 uur
nemen.
Als we net Tashkurgan uit zijn, komt de zon door de wolken en
zorgt ervoor dat de bergen waar wij langs en overheen rijden
prachtig verlicht worden. De glooiende toppen van het Pamirgebergte
lijken op ingezakte chocoladecakes. Daarachter zijn hier en
daar besneeuwde bergen te zien. Na enig oponthoud door werkzaamheden
aan de weg -aardverschuivingen zijn hier aan de orde van de
dag- komen we langs prachtige wit-beige zandduinen. Ze doen
denken aan toffee-amandelroomijs dat al een beetje aan het smelten
is.
Regelmatig moet de bus vaart minderen voor grote kuddes schapen
die over de weg lopen. De herders, te voet of te paard, kijken
kwaad om naar de chauffeur die er luid toeterend doorheen probeert
te komen. De laatste bergen waar we langs komen lijken wel in
vuur te staan. De diepste kleuren oranje en rood wisselen elkaar
af.
Heel abrupt stopt het berglandschap. Het laatste uur rijden
we door een saaie grijze woestijn van stenen. Hier komen we
pas weer wat dorpjes tegen. Ze kondigen zich al van verre aan
door de vele populieren die langs de weg en om het dorp heen
geplant zijn. Met hun smalle stammen rechtop in de lucht steken
ze duidelijk af tegen het vlakke land. In de dorpjes is het
gezellig druk. Veel mensen en spelende kinderen op straat, en
ook ezelskarren, fietsers en tractoren. Al claxonerend laat
de buschauffeur duidelijk merken dat zijn bus wil passeren.
Na een rit van zeven uur komen we aan in een heerlijk warm Kashgar.